`Tanizaki bood me een visie op het verleden'

In Tokio begon gisteren een boekenbeurs waar Nederland de speciale gast is. Schrijver Rudy Kousbroek publiceerde vorige week `In de tijdmachine door Japan.'

``Japan is mooi wanneer het licht uit is', zegt Rudy Kousbroek. ``Dat is echt zo. Overdag loop je rond en vraag je je af hoe het mogelijk is dat die mensen het uithouden, vooral een volk met zo'n ontwikkeld esthetisch gevoel. Zodra de zon onder is en je ziet het land 's nachts met verlichting, dan is dat heel mooi. Dan zie je alle lelijke dingen niet.'

Afgelopen woensdag was het vierhonderd jaar geleden dat de Nederlanders voor het eerst Japan betraden. Tussen 1609 en 1858 maakten ze jaarlijks een Hofreis van Nagasaki naar Edo, het tegenwoordige Tokio, om geschenken naar de shogun te brengen. Schrijver Rudy Kousbroek reisde in 1972 de Hofreis na, aan de hand van de oude reisjournaals. Vorig jaar deed hij het nog eens over, samen met cineast Hans Keller. Van Kousbroek verscheen onlangs In de tijdmachine door Japan. De Hofreis van het jaar 2000. De gelijknamige film van Keller wordt op 24 april door de VPRO uitgezonden.

Kousbroek wilde eerst praten over Stendhals Vie de Henry Brulard, maar koos uiteindelijk voor een boek van een van Japans grootste auteurs van de vorige eeuw, Junichiro Tanizaki (1886-1965). Van hem las Kousbroek ongeveer vijftien jaar geleden In'ei raisan, oftewel Lof der schaduw. Het is een essay uit 1933 over de Japanse esthetiek, afgezet tegen de westerse, waarbij de schrijver zich vooral concentreert op de rol van het donker en de schaduw in de Japanse traditie. Het boek bevat overwegingen over architectuur, de inrichting van een huis, verlichting, papier, techniek, eten, nô- en kabukitheater en de vrouwelijke schoonheid.

Kousbroek: ``Het is een essay in de Japanse traditie, bedoeld als divertissement waarin ook niet alles ernstig gemeend is of alleen maar voor het genoegen van de gelegenheid opgemerkt wordt. Zo denk ik dat hij het genoegen om op een wc te zitten met opzet aangedikt heeft. Met die passage is trouwens iets eigenaardigs. In de Engelse vertaling van Seidensticker, In praise of shadows, staat: `The novelist Sôseki Natsume counted his morning trips to the toilet a great pleasure, a physiological delight he called it'. In het Japans staat daar letterlijk dat Natsume het vergeleek met `de aangename sensatie om levend begraven te worden'. De vertaler heeft waarschijnlijk gedacht: laat maar zitten, ik zal niet proberen om dat letterlijk te vertalen. Japans is heel moeilijk, voor mij tenminste. Óf je kunt een volzin wel op drie of vier verschillende manieren vertalen, en alle manieren zijn plausibel, óf geen enkele manier. Tussen die uitersten zweeft het. Je kunt nooit een eenduidige correspondentie aanbrengen. De taal zit, net als de cultuur, heel anders in elkaar dan bij ons.'

Rudy Kousbroek werd in 1929 geboren te Pematang Siantar op Sumatra. Zijn jeugd in Oost-Indië en zijn verblijf in een Japans kamp spelen een grote rol in zijn werk. ``Lof der schaduw was voor mij een enorme ontdekking omdat het zo volledig overeenkomt met hoe ik mijn kinderjaren zie. Die heb ik ook doorgebracht in een land waar geen elektriciteit was, waar alles veel donkerder was. In Verloren goeling heb ik beschreven hoe alle petroleumlampen van het huis bij elkaar werden gezet aan het begin van de avond. Dat was ik eigenlijk vergeten. Toen ik Lof der schaduw las kwam dat beeld terug van die lampen die op tafel stonden en aangestoken werden, een grot van licht in de duisternis eromheen. Het deed me beseffen hoe donker de wereld was en hoe donker de wereld in het verleden geweest moet zijn.

``Er ging mij, om het paradoxaal te zeggen, een licht op. Het boekje bood me een sleutel tot een visie op het verleden. Al die dingen uit het verleden, daar stel je je meteen de schaduwen bij voor, en niet fel licht. Wat Tanizaki onthult, is dat de aanwezigheid van het donker alles anders maakt. Hij heeft ook een hele mooie passage over hoe de glans van het oude eigenlijk vies is. Een zekere smoezeligheid maakt deel uit van de esthetiek en van de schoonheid van het verleden.

``Tanizaki betrekt zijn esthetiek op Japan, dat hij tegenover het westen stelt, volgens hem de brenger van al dat harde licht. Hij zou echter net zo goed ons erbij kunnen betrekken. Als je bijvoorbeeld die gedecoreerde interieurs ziet met veel goud, zoals die bestonden in de Franse en Italiaanse stijlen die wij overnamen, dan heeft dat in fel licht iets vulgairs. Daarom heeft onze huidige beschaving zich ervan afgekeerd. Die wil al die gouden krullen niet meer. Maar die zijn ook niet bedoeld om in fel licht gezien te worden. Als je je die voorstelt in een zee van schaduw, waar het uit het donker opblinkt en weer verdwijnt als je verder gaat met je blaker, dan geeft dat een idee van hoe het verleden geweest moet zijn.

``De technologie heeft in het Westen dezelfde ravages aangericht als in Japan, in Japan ging het alleen veel sneller. Omstreeks 1850 was het nog een land dat volkomen in het verleden leefde en in 1906 versloegen ze de Russische vloot. In die hele korte tijd heeft de technologie zich daar genesteld. Bij ons heeft het langer geduurd, daarom is het ietsje minder disharmonisch. Ontdekkingen als de hygiëne hebben gemaakt dat de glans van de smoezeligheid bij ons eerder is verdwenen dan daarginds. Maar wie zijn nu de meest schoongepoetste mensen die je tegenkomt? Dat zijn de Japanners. Die zien nu ons al als onhygiënisch.'

Tanizaki spreekt van een verwantschap tussen de gele huidskleur en de voorkeur voor schaduwen. Een Japanner temidden van een groep westerlingen vergelijkt hij met `een vuile plek op een vel wit papier'. ``In sommige passages klinkt een inferioriteitsgevoel door. Tanizaki zegt ook ergens in zoveel woorden dat de westerse cultuur die Japan overspoelde superieur was. Dat is het gevolg van de dwingende manier waarop onze cultuur doordrong in Azië. Maar ook al voor de komst van de Europeanen werd in de meeste landen de lichte huidskleur verkozen boven de donkere. Dat was in Japan zo, in India en bij de Arabieren.

``Ik ben tussen bruine mensen opgegroeid, die ik in mijn hart eigenlijk mooier vond dan blanken. Ik zal nooit vergeten dat ik van het vrouwenkamp in het mannenkamp aankwam, in een vrachtauto vol met andere jongens. Die mannen hadden bijna geen kleren aan, dat hoefde niet, in het kamp was een lendendoekje voldoende, en ook schoren ze zich niet. Ik zie nog die blote, witte mannen met al die baarden op de vrachtauto afhollen toen wij dat kamp binnenreden. Dat was een heel merkwaardige ervaring, alsof het een soort witte woestelingen waren, die ook slecht in het landschap pasten. Terwijl de Indonesiërs, die ook weinig kleren aanhadden, daar veel meer harmonieerden. Er is veel te zeggen over het onderwerp huidskleur. Helaas riskeer je bij het minste woord al racistisch geïnterpreteerd te worden.'

Junichiro Tanizaki: In'ei raisan. Vertaald als In praise of shadows. Leete's Island Books, 1977. Uit het Engels vertaald als Lof der schaduw, Meulenhoff (1994), 78 blz. Uitverkocht.