't Dunkt mij zoo eene décadence van mij

Hoe de achttienjarige Lucie Broedelet haar entree maakte in de kring der Tachtigers en hoe het haar verging, is te volgen in de brieven van dat gezelschap aan uitgeversvrouw Annette Versluys-Poelman.

Het moet een bijzondere bijeenkomst zijn geweest, de dag dat Lucie Broedelet eindelijk de man ontmoette die haar had voorzien van het wufte pseudoniem Stella Violantilla.

,,Het was mij een groot genot bij u te zijn'', schrijft zij vanuit Den Haag een paar weken later het jaar 1894 is een maand op streek aan de gastvrouwe in Amsterdam. En ze vervolgt: ,,Blijde ben ik kennis gemaakt te hebben met u en u allen, met den heer Kloos en verdere medewerkers der Nieuwe Gids.''

Lucie schreef verzen en toneelteksten en ze was onder de indruk van de dichter Willem Kloos, ,,die men steeds hooger leert stellen naarmate men meer van hem leest en hoort'', zoals ze vóór de ontmoeting had laten weten in een brief aan de uitgeversechtgenote Annette Versluys-Poelman. Ze vroeg of ze kon komen logeren, want ze wilde op zaterdagavond 30 december 1893 ,,gaarne den heer Rooyaards verzen hooren voordragen''.

Eerder die maand had de toneelspeler Willem Rooyaards, toen 26, aan de componist Alphons Diepenbrock bericht van zijn kennismaking met dat geniale kind, dat in de laatste afleveringen van de N.G. debuteert, ,,met Stella Violantilla, als Kloos haar genoemd heeft. Heel aardige familie, een lieve mama, ook de papa niet onfrisch. Zij een brunette, met pracht oogen, waarachter je een eeuwige zomer droomt''.

Ook Willem Kloos blijkt gecharmeerd van zijn `Stella', want na hun ontmoeting noemt hij de 18-jarige dichteres in een brief aan de schilder Willem Witsen een heerlijk meisje, zonder de minste pretentie of aanstellerij.

Gechaperonneerd door haar ouders of door het echtpaar Versluys zal Lucie weinig kans hebben gezien in te gaan op vleierijen. Maar ongevoelig was zij er niet voor.

Alleen zijn aanblik heeft weder

Mijn binnenste binnen naar buiten gebracht;

Oude wonden vloeien rijkelijk.

Wonden, die sinds lang geheeld ik dacht.

luidt de eerste strofe van een van haar eerste verzen die in De Nieuwe Gids werden opgenomen. Twee drama's en vele pagina's verzen vol onzegbare smarten en dolende zielenpijn heeft zij bijgedragen in de tweede helft van 1893. Zeventien, achttien jaar en al medewerkster van het belangrijkste literaire tijdschrift van het moment, het podium van de Tachtigers. Een opmerkelijke prestatie.

Wat bewoog Willem Kloos het mediocre werk van een adolescente dichteres in zijn geesteskind op te nemen? Hij had Lucie toen nog niet gezien de kennismaking doet zich pas een half jaar na het debuut voor. Was hij verleid door haar jonge leeftijd? Hij neemt tezelfdertijd de eerste verzen op van Henriëtte van der Schalk en J.H. Leopold, twintigers die naam zullen maken. Voelde hij zich gestreeld door het epigonisme in haar poëzie? Kwistig put ze uit het vocabulaire van de meester, maar ze mist zijn taalgevoel en kracht.

Kattebelletjes

Hoe Lucie Broedelet haar entree maakte in de kring der Tachtigers en hoe het haar verging, is te volgen aan de hand van een toevallig bewaard gebleven dossier brieven uit de periode 1892-1895. Van kattebelletjes van Willem Kloos of Hein Boeken die een visite aankondigen tot weeklachten van Pet Tideman of Elisabeth Witsen-Van Vloten, zijn de brieven, zo'n dertig stuks, allemaal gericht aan Annette Versluys-Poelman. Willem Versluys en zijn vrouw Annette wonen met hun vier zonen in de nieuwe Amsterdamse woonwijk `buiten de Muiderpoort', een blok verwijderd van het atelier van Willem Witsen aan het toen pas aangelegde Oosterpark. De zaak ligt een tuinlengte achter het huis in wat dan nog de Tweede Parkstraat heet. Willem, die samen met zijn broer Jan de florerende uitgeverij van voornamelijk literaire- en leerboeken leidt, geeft De Nieuwe Gids sedert de oprichting in 1885 uit en publiceert diverse boeken van de kopstukken van de Tachtigers, die met hun aanhang van mindere goden in de loop der jaren een gastvrij onthaal hebben gevonden in Huize Versluys. Zo ook Lucie Broedelet.

Het kan zijn dat de vader voorwerk voor de dochter heeft gedaan. Een verzoekje uit 1893 van Willem Kloos aan Annette Versluys-Poelman luidt namelijk: ,,Ik kan den heer Broedelet onmogelijk ontvangen: ik zit tot over mijn ooren in het werk. Het spijt mij zeer.'' Hij sluit af met het haastig postscriptum: ,,Wilt u zoo goed zijn bijgaand briefje aan den heer B. te geven?''

Ging het over Lucie? Vast wel. In haar eerste brief aan Annette schrijft Lucie immers: ,,De brief dien de heer Kloos aan pa zond bereidde mij natuurlijk eene groote vreugde.''

Het Haagse adressenboek van 1893/1894, de periode waarin Lucie met Kloos in contact kwam, vermeldt: `J.S. Broedelet, gep. kapt. der genie, comm. en direct. der Cult. Maatschap Bandjar-Redjo, Bankastraat 56.' Jacobus Salomon Broedelet, in 1844 in Voorburg geboren, trouwde volgens een huwelijksannonce in 1871 in Padang-Pandjang met de negen jaar jongere Adriana Kervel, geboren op Sumatra. Een krantenbericht, waarin zijn militaire loopbaan bij het KNIL de revue passeert, wijst uit dat hij zich naast de handelsonderneming ook met kunstzinniger zaken bezighield: in 1876, het jaar na Lucie's geboorte, publiceerde Broedelet een metrische vertaling van Theodor Körners tragedie Rosamunda, `met een woord tot inleiding van J.A. Alberdingk Thijm' (de vader van Karel Alberdingk Thijm, later Lodewijk van Deyssel).

Het dichten zat dus in de familie. Ongetwijfeld verkeerden de Broedelets wel eens in het artistieke circuit, gezien het verslagje van Rooyaards, die bevriend was met medewerkers aan De Nieuwe Gids. Ze hebben het tijdschrift beslist gelezen, want de verzen van Lucie's idool Willem Kloos verschenen pas in juli 1894 in boekvorm, eveneens bij Versluys.

Verlegen

Het is goed mogelijk dat Lucie Broedelet zèlf haar versjes had opgestuurd. Ze neemt immers ook het initiatief om na hun kennismaking ,,U begrijpt, den eersten keer was ik nog erg verlegen'' bij de Versluysen te gaan logeren. Daardoor krijgt ze Kloos te zien, samen met zijn onafscheidelijke compagnon in poëzie en drank Hein Boeken. En de Haarlemse student Pieter `Pet' Tideman, naar wie ze in haar bedankbrief van 29 januari 1894 bezorgd informeert: ,,Ik hoop zoo voor hem dat alles goed mag afloopen.''

Kloos' nieuwe paladijn, die met zijn driftige polemieken de eerste generatie Tachtigers van het tijdschrift heeft vervreemd, zit in de problemen. Hij wordt beticht van antisemitische uitlatingen en om een proces te voorkomen, wil dominee Tideman zijn zoon krankzinnig laten verklaren. Bovendien heeft Pet zijn minderjarige vriendin Betsy Eman bezwangerd.

Of Lucie daar al weet van heeft, blijkt niet. Zou ze wel op de hoogte zijn van de financiële moeilijkheden waarin De Nieuwe Gids verkeert? Annette heeft kennelijk aan Willem Witsen geschreven over het dalende aantal abonnees, want hij antwoordt haar vanuit zijn kleine villa in Ede: ,,dat was wel te voorzien en ik voor mij vind dat niet erg zoolang hij kan blijven bestaan en Kloos er van leven. Maar dat is nu juist de kwestie, zult u zeggen.''

Lucie rept er in elk geval niet over. Vóór alles worstelt zij met haar literaire werk en haar twijfelingen erover, zelfs na elk werk meer bekent ze Annette begin maart 1894 na de publicatie van het smartelijke drama Viola: ,,'t Dunkt mij zoo eene décadence van mij, eene uitbloeiing.''

Als Lucie op het toneel verschijnt is Annette Versluys-Poelman veertig. Dochter van een vooruitstrevend Gronings predikant en parlementslid, bestiert ze het huishouden van haar grote gezin, speelt ze een rol in de uitgeverij en streeft ze daarnaast, juist in deze fase van haar leven, een belangwekkend doel na: Annette houdt zich actief bezig met de oprichting van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.

In een lange brief wenst Lucie haar eind maart 1894 geluk met haar presidentschap. Dan vraagt ze naar 't belang, 't nut van vrouwenkiesrecht, aangezien ze op dat punt `zoo totaal onwetend' is. ,,Zoo gaarne zou ik weten, of 't werkelijk ingrijpende veranderingen ten goede zou kunnen brengen.''

Ook uit de rest van de brief valt op te maken dat Annette een enigszins naïeve, maar openhartige correspondente aan Lucie heeft. Om de slechte recensies over haar toneeltekst bekommert ze zich niet: ,,Ik lees wat wellicht erg dom is nooit couranten.'' Neen, haar down-zijn heeft een andere oorzaak. Er was korte tijd iemand in haar leven, `maar dat is nu gansch voorbij'. Ze kreeg schokken te verduren ,,die mij veel van mijn vertrouwen benamen, zoowel in mijzelf als in de mannen''.

Niettemin vraagt ze nu om het adres van Hein Boeken, van wie Annette een bemoedigend woord over haar werk doorstuurde. En voorts schaamt Lucie zich ,,zoo zonder eenige Ahnung te zijn geweest van de ziekte van Kloos voor wien ik zooveel eerbied en liefde koester''.

Rampjaar

Nu is Kloos wel vaker ziek, maar wat staat te gebeuren, tart alles wat de kring zijn weldoeners Witsen en het echtpaar Versluys voorop tot dan toe met de `bodemdriftige' dichter heeft meegemaakt.

Kloos' ineenstorting is niet het enige dat 1894 in een rampjaar verandert voor vrijwel alle correspondenten van Annette. Gaandeweg siepelt de ene na de andere droeve situatie door in de brieven.

Ook Huize Versluys krijgt het zwaar te verduren. Om te beginnen raakt de uitgeverij in moeilijkheden doordat Jan Versluys zich uit de zaak heeft teruggetrokken. Het zal de teloorgang van De Nieuwe Gids hebben versneld.

Maar er is meer. Terwijl Lucie met haar schilderende broer André in Parijs vertoeft, stuurt Pet Tideman een briefje aan Annette. Met de hoogzwangere Betsy heeft hij zijn intrek genomen in Meer en Vaart in de buurtgemeente Sloterdijk. Hij bedankt haar voor de `vriendelijke bezending' van diverse babyspullen en meldt dan over Kloos en Boeken: ,,De poëten zijn juist hier gearriveerd en beginnen de aandacht van dit dorpske nu ganschelijk bezig te houden.''

Het moet dan en daar zijn geweest dat Kloos een beslissing neemt die een maand later wordt vereeuwigd op de geboorteakte van een onwettig kind. Want als op 19 mei 1894 Betsy Eman bevalt van `Pieter', geeft de 22-jarige vader als beroep op: `redacteur van den Nieuwen Gids'.

Het kindje is ongelukkig, bericht Tideman `in een oogenblik van verademing van droefenis' later in mei aan Annette en hij vervolgt: ,,Wij hebben een teere en vriendelijke steun van Lucie Broedelet, die bij ons verblijf houdt na een bezoek jl. Maandag bij ons gebracht.''

Veel tijd om zich met haar literatuur bezig te houden, zal Lucie niet hebben gehad. Maar wie zou hebben besloten dat ze voortaan onder haar eigen naam publiceert? En is Lucie's vers in het meinummer de weerslag van de schokken die zij eerder ondervond? ,,Bruten die durft loochnen al hoog vrouwelijk zijn, die met uw schennend woord / Ontluistert, ontkuischt al 't reine, ik zou u willen kastijden.''

Ondanks de schampere pers kan ze voortgaan, daar Tideman haar rangschikt bij de medewerkers die van hem mogen blijven. Het staat in zijn vlugschrift tegen de oude garde dat in juni bij Versluys uitkomt, waarmee hij de literaire wereld nog meer tegen zich in het harnas jaagt. In september, als Pet en Betsy eindelijk trouwen, verschijnt bij Versluys zoals later zal blijken het laatste nummer van De Nieuwe Gids.

Crisis

Kloos, die eerst bij Witsen, dan in huize Versluys en tenslotte op het atelier aan het Oosterpark verblijft, raakt steeds dieper in een crisis. Hij wordt beurtelings verpleegd door Isaac Israëls, de schilderes Sara de Swart die met haar vriendin Anna Vis ook op het atelier woont en door Annette Versluys-Poelman.

Hein Boeken, in Ede bij de Witsens, houdt zich afzijdig: ,,K[loos] heeft nu meer vertrouwen in U en [zijn] zorgzame verpleegsters.'' Onderwijl maakt hij toch nog de overgebleven kopij persklaar en stuurt die in oktober aan Annette toe, hetzij voor een volgende aflevering, hetzij voor een nieuw tijdschrift. Een veelzeggend postscriptum luidt: ,,Wil u vooral nog niet aan Kloos zeggen dat ik hier ben?''

Diezelfde maand heeft Lucie iets opgevangen dat moeilijk te controleren valt. Mogelijk heeft zij het abusievelijk over Anna Vis als ze schrijft: ,,U begrijpt dat ik blij ben dat Kloos nu gelukkig is en als ik er nog iets toe kan bijdragen zal ik dat met al mijn hart doen. Ik hoop zoo zeer, dat zij eindelijk `t geluk mogen gevonden hebben, want zijn leven was wel dikwijls droef niet waar. Haar ken ik niet, maar ik hoop veel van haar te houden.'' Dat laatste staat er niet erg overtuigend.

Bovendien gaat het in werkelijkheid zo slecht met Kloos, dat hij, na met vrijwel iedereen ruzie te hebben gemaakt nu zelfs zijn beschermster allerlei lelijks toedicht. Witsen, nog altijd voor Kloos materiële behoeften in stilte zorgend, schrijft Annette in november, dat zij het zich niet moet aantrekken: ,,Daar wantrouwen volgens [de psychiater] Dr Jelgersma een algemeen ziekte verschijnsel is in gevallen als dat van Kloos. [-] U plukt de bittere vruchten van te veel toegevendheid, Mevrouw.''

Hein Boeken ineens heel plezierig vertoevend op het adres van de Broedelets in Den Haag en Lucie berichten over en weer over elkander en beklagen Annette in november als haar moeder `zoo eensklaps' is overleden. Geruchten over een nieuw tijdschrift buiten uitgeverij Versluys om, worden hardnekkiger. Het spijt Boeken, in december weer in Ede, dat de voortgang van De Nieuwe Gids `nu niet meer met U en den heer Versluys samenwerking zal zijn'.

Op oudejaarsdag, een jaar na haar begeerde entree in de kring, schrijft Lucie: ,,U denkt toch niet dat ik meeschrijf in 't nieuwe tijdschrift, na al wat ik er van hoorde vandaag van Mijnheer [Versluys], die ons vandaag opzocht. 't Is onbegrijpelijk alles ervan.''

Het jaar 1895 is net begonnen als Boeken meedeelt niet langer bij de Witsens te logeren `daar het kindje steeds sukkelende is'. Elisabeth Witsen-Van Vloten geeft Annette twee dagen later een roerend verslag van het getob om de baby die ,,zwakke botjes heeft en nog wel 1/2 of 3/4 jaar moet liggen, zelfs mag ik hem niet op schoot hebben''.

Uit Zaltbommel bericht Lucie Broedelet in januari hoe `frisch en opgewekt' ze zich voelt tussen haar oude vriendinnen. Een medestrijdster van Annette heeft haar uitgenodigd een vergadering bij te wonen ,,wat ik natuurlijk heel graag wil doen, nu ik u zal hooren spreken. Ik kan dan meteen van Hein vertellen en al wat u zoudt willen weten.[-] Dag liefste mevrouw, ik hoop dat ik u niet al te zeer verveeld heb zoo steeds over mijzelf te praten. Na mijne hartelijkste groeten aan allen en eene liefh. kus aan u, uwe Lucie''

Abrupt eindigt hiermee het dossier brieven aan Annette Versluys-Poelman. De contacten zullen na het verdwijnen bij Versluys van De Nieuwe Gids zijn verwaterd. Witsen maakt twee jaar later nog een serie portretten van de `brunette met de pracht oogen', die haar tonen zoals de mannen van Tachtig haar zagen `een heerlijk meisje zonder de minste pretentie'.

Op het adres in Den Haag waar vandaan Lucie haar brieven stuurde en waar Boeken logeerde, is een apotheek gevestigd. De sierlijke koperen brievenbus aan de deur van het woonhuis ernaast doet niet langer dienst. In het voormalige uitgevershuis in de Tweede Oosterparkstraat in Amsterdam bevindt zich nu een kindercrèche. De poëzie is sinds lang vervlogen. Of ze moest zijn overgedragen aan een achterneef van Lucie. Maar desgevraagd weet Remco Campert, zoon van de actrice Joekie Broedelet, zich niets te herinneren van zijn oudtante Lucie, die hij slechts een enkele keer heeft ontmoet. Zij is, als laatste van de kring rond Annette Versluys-Poelman, in 1969 op hoge leeftijd overleden.

Bronnen: Letterkundig Museum, Den Haag: Het dossier letterkundige brieven aan Annette Versluys-Poelman; Bevolkingsregisters en gemeentearchieven Amsterdam en Den Haag; Miriam Everhard: `Annette Versluys-Poelman en haar kring' in 6de Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis, 1985; Charles Vergeer: Willem Witsen en zijn vriendenkring, 1985; Jan Goedheer, oud-directeur uitgeverij Versluys, Krommenie

`De brief dien de heer Kloos aan pa zond bereidde mij natuurlijk eene groote vreugde'

Lucie vraagt naar 't nut van vrouwenkiesrecht, aangezien ze op dat punt `zoo totaal onwetend' is

    • Jessica Voeten