Stille verlangens in de kantoortuin

De fado is het Portugese levenslied over onvervulde verlangens, onmogelijke liefdes en grote gevoelens. Tegelijkertijd is de fado fatalistisch en gaat hij over het onvermogen om naar vervulling te streven. Hollandse Fado van Bartho Kriek beschrijft de verlangens van de Haarlemse kantoorklerk Huizing, zijn passie voor verre reizen en voor collega Louise die zwarte krulletjes en exotisch bloed heeft.

De Haarlemmer Bartho Kriek (1950) is vertaler van Amerikaanse schrijvers als Isaac Bashevic Singer, Kurt Vonnegut en Philip Roth. In 1998 besloot hij het zelf eens te proberen met de roman Het ijzeren heden, over een man die geen zelfmoord pleegt. Hollandse Fado, zijn tweede roman, gaat ook over een man die niet tot daden komt. Huizing had willen varen, maar hij werd kantoorklerk. Hij snakt naar een wilde liefde maar hij heeft een chagrijnige vrouw en drie kinderen. Hij heeft een gepassioneerd gemoed, maar hij woont in het Haarlem-Noord van de jaren vijftig, een omgeving waarin de fado slecht gedijt. Fatalistisch als de fado is hij zeker. `Het wordt toch nooit wat' lijkt zijn levensmotto. Daarom onderneemt hij niets en sublimeert hij zijn passies. Op zondag luistert hij naar fadoplaten. Gretig verslindt hij het spannende avonturenboek over schipper Bontekoe.

Huizings gesublimeerde passie heeft Kriek het beste gevangen in de eerste hoofdstukken, die traag en precies beschrijven hoe de bankbediende zich door de werkdag sleept, adresstrookjes typend, mappen archiverend, altijd bang dat het voor de chef niet snel genoeg gaat: `Maar het moet ook niet te snel gaan, want dan is hij al in de stellingen bezig de slips in de bijbehorende mappen te stoppen als de koffie komt, en dan kan hij er niet zittend van genieten. Bovendien neemt de kans dan toe dat hij het adresseerwerk moet doen waar jongste bediende Victor zich steeds aan probeert te onttrekken.'

Door de gedetailleerde beschrijving van stoelzittingen, kasten, het licht dat door de vitrage op de planten valt, de `vertrouwde lucht van oude longen en darmen' in de gang, weet Kriek een verstikkende wereld op te roepen, die hij schrijnend laat contrasteren met de verliefde mijmeringen van Huizing. De ganse dag denkt de klerk aan de keren dat hij Louise tussen de archiefkasten per ongeluk aanraakte. Of aan hoe ze naar hem glimlachte. Of dat hij haar naar huis bracht op de fiets. Als hij 's ochtends zijn fiets uit de stalling haalt, strijkt hij telkenmale over de bagagedrager, de plaats waar Louise ooit zat. `De harde buizen en stangetjes ervan moeten haar bovenbenen en bips ingedrukt hebben, met geweld bijna.'

Helaas weet Kriek de broeierige sfeer niet goed vast te houden. Het gaat mis nadat Huizing en Louise elkaar hebben gekust in de openbare bibliotheek. De spanning van `krijgen ze elkaar?' is er dan af. De liefde wordt te concreet, het levenslied loopt redelijk goed af.

Wat daarna volgt is te veel een invuloefening. Huizing verlaat zijn vrouw en gaat op kamers bij een hospita, hij neemt ontslag en wordt brugwachter die in de avonduren scheepjes in flessen stopt. Dat is weliswaar iets anders dan op de wilde vaart zitten, maar hij is toch wat dichterbij zijn dromen gekomen. Hij heeft in ieder geval iets ondernomen.

Fijn voor hem maar jammer voor de lezer die terugverlangt naar de tijd van voor de kus, toen er nog niets gebeurde en Huizing zwijmelend keek naar de warme afdruk die Louise achterliet in de bureaustoel, als ze even naar de wc was.

Bartho Kriek: Hollandse Fado. Atlas, 270 blz. ƒ39,90

Nederlandse literatuur