Nog niet vrij van de slavernij

In Engeland, Frankrijk en België wordt de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog als vanzelfsprekend levend gehouden; er zijn nog enkele veteranen in leven, die bij de tachtigste verjaardag van het einde van die oorlog, twee jaar geleden, in Britse en Belgische tv-documentaires aan het woord kwamen. Aan de herdenking in Brussel deed afgelopen november nog één 100-jarige oud-strijder mee.

Het was maar enkele decennia vóór de Eerste Wereldoorlog dat op het Westelijk Halfrond na ruim driehonderd jaar de zwarte slavernij werd afgeschaft. De in Londen woonachtige Cubaanse schrijver en journalist Pedro Pérez-Sarduy (56) kon als kind nog zijn overgrootmoeder Sabue bezoeken, een voormalige slavin die met haar moeder uit Afrika was overgebracht naar Cuba, waar aan de slavernij pas in 1886 een einde kwam. De stokoude Sabue vertelde hem over `de negers [die] wilden dat er eens en voor al een einde aan de slavernij kwam, terwijl de opzichter er maar op los bleef slaan'.

Pérez-Sarduy schrijft dat in een bijdrage aan de bundel Het verleden onder ogen. Herdenking van de slavernij, samengesteld door hoogleraar Caraïbische Studies Gert Oostindie. Het indringende artikel van de Cubaanse schrijver maakt duidelijk dat de periode van de zwarte slavernij tot onze recente geschiedenis moet worden gerekend. Toch maakt deze episode, in tegenstelling tot de Eerste Wereldoorlog, nauwelijks deel uit van het collectieve geheugen; de Verenigde Staten vormen daarop een uitzondering.

De in Puerto Rico werkzame Amerikaanse universiteitsdocent en theatermaker Lowell Fiet heeft het in zijn bijdrage over `verbleekte herinneringen' en `gewiste geschiedenissen'. Volgens Fiet vinden de Portoricanen het veiliger om slavernij als exotische folklore te beschouwen en niet als iets dat te maken heeft met het dagelijks leven en nijpende problemen zoals scherpe sociale scheidingen, werkloosheid, hoge misdaad en tienerzwangerschappen. Hij meent zelfs dat men in veel Caraïbische landen aan `negrofobie' lijdt en daarom de slavernij maar liever laat voor wat zij is. Volgens antropoloog Richard Price, die grote faam verwierf met studies over bosnegers in Suriname, zijn herinneringen aan slavernij lange tijd verdonkeremaand uit `collectieve schaamte'. Deze schaamte strekte zich naar zijn mening niet alleen uit tot de blanke, maar ook tot de zwarte bevolking.

Het is inderdaad opvallend hoe weinig de afstammelingen van zwarte slaven – in Nederland Surinamers en Antillianen – zich in hun eigen familieverleden hebben verdiept. Een onderzoek naar de plantage-geschiedenis van de voorouders, voor zover mogelijk, wordt door de meesten als te pijnlijk ervaren.

Misschien maakt dit juist wel duidelijk dat het tijd wordt dat moderne samenlevingen zich inspannen om de geschiedenis van de zwarte slavernij in het collectieve geheugen op te nemen. In de Verenigde Staten heeft de zwarte burgerrechtenbeweging daar in de jaren zestig aan bijgedragen. De discussie kreeg er een nieuwe impuls met onthullingen over gekleurde nakomelingen van president (en plantagehouder) Thomas Jefferson, die in de Amerikaanse media volop publiciteit kregen. Minstens zo veel aandacht kreeg de publicatie van het (inmiddels ook in Nederland verschenen) Slaves in the family van de blanke Amerikaanse journalist Edward Ball, die de succesvolle zoektocht beschrijft naar gekleurde afstammelingen van zijn eigen plantersfamilie.

In Europa is het slavernij-debat nog nauwelijks gevoerd. Daarbij moet natuurlijk worden bedacht dat de zwarte slavernij een dagelijkse realiteit was binnen de Amerikaanse grenzen, terwijl zij voor Europa een ver-van-mijn-bed show bleef. Toch heeft de massale toestroom van immigranten uit de voormalige Caraïbische koloniën de slavernij en de transatlantische slavenhandel, waarin ook Nederland zijn aandeel had, meer dan ooit tot gemeenschappelijke Europese geschiedenis van blank en zwart gemaakt. Of het fin de siècle het schuldbewustzijn van het Westen heeft vergroot en daarmee ook het debat over de slavernij heeft aangewakkerd, zoals Richard Price suggereert, blijft de vraag. Feit is dat in diverse Europese landen – Frankrijk, Groot-Brittannië, Nederland – de zwarte gemeenschap de slavernij nadrukkelijk op de agenda heeft gezet. `Als wij eisen dat de slavenhandel en de slavernij als misdaden tegen de menselijkheid worden erkend, dan is dat om een essentieel stukje van onze waardigheid te behouden', schrijft Ina Césaire, dochter van Aimé Cesaire, voorvechter van de négritude-beweging.

En daarmee is het meest essentiële gezegd. Haar gedachte ligt zo voor de hand, dat het verwonderlijk blijft dat een echt debat over een officiële herdenking van de slavernij zo lang is uitgebleven. In de Nederlandse schoolboeken heeft de zwarte slavernij nooit prominent gefigureerd. Van de 26 essays in deze bundel – onder andere van de schrijvers Frank Martinus Arion en Hugo Pos en de journalist Iwan Brave – heeft de helft betrekking op Nederland. Ook scribenten uit joodse (Judith Belinfante), Indisch-Nederlandse (Adriaan van Dis) en Molukse kring (Wim Manuhutu) komen aan het woord. De bundel vormt zo een levendige bijdrage aan de huidige discussie over een slavernijmonument (beeld, museum, universitair instituut?) in Nederland, waarvoor inmiddels ook door de politiek wordt gepleit. Op 1 juli, de dag van de afschaffing van de slavernij in Suriname (keti koti, `het breken van de ketens') wordt verwacht dat minister Van Boxtel bekendmaakt wat er precies zal gebeuren.

Waarom er zo'n monument moet komen? De Zuid-Afrikaanse ambassadeur in Den Haag, Carl Niehaus, wiens lezing op 5 mei 1998 tijdens de nationale viering van Bevrijdingsdag in de bundel is opgenomen, zegt het in de taal van de apartheid en daardoor heel indringend: `Ons toewyding aan vryheid behoort gemeet te kan word aan ons moed om ons volle verlede te laat meespreek in die voorbereiding van ons huidige keuses. Wanneer ek so daaraan dink dan kom die vraag onwillekeurig op of tesame met die vele bevrydingsmonumente die tyd nie allankal aagebreek het om 'n standbeeld ter herdenking en skulbelydenis, van slawerny op te rig nie?'

Gert Oostindie (red.): Het verleden onder ogen. Herdenking van de slavernij. Arena/Prins Claus Fonds, 223 blz. ƒ35,-

Slavernij