`Met woorden kun je niets genezen'

De Israëlische auteur David Grossman schreef een liefdesverhaal in briefvorm, ``om te kijken hoe ver je kunt komen met woorden.'' `Jij bent mijn mes' was een succes in Israel en is nu vertaald in het Nederlands.

David Grossman lijkt een tikkeltje beledigd door de vraag waarom hij uitgerekend zo'n kinderlijke, verwende man vol zelfmedelijden als hoofdpersoon heeft gekozen voor zijn pas uit het Hebreeuws vertaalde roman Jij bent mijn mes. ``Jaïr is inderdaad kinderlijk, infantiel zelfs, en egocentrisch. Dat zie je heel vaak bij mannen in een relatie met een vrouw. Maar Jaïr is ook transparant. Je kunt hem diep in zijn ziel kijken. Hij is nog zoveel andere dingen en ik wilde begrijpen hoe die allemaal tegelijk kunnen bestaan. Hij zoekt naar de waarheid, wil de vervreemding tussen hem en andere mensen uit de weg ruimen. Hij wil zichzelf helemaal geven, maar is daar niet toe in staat. Hij is extreem in zijn emoties en zit vol innerlijke tegenstrijdigheden.''

Hoofdpersoon Jaïr (33, gelukkig getrouwd, zoontje van vijf) ziet op een schoolreünie een hem onbekende lerares van een jaar of veertig, Mirjam, wordt getroffen door haar glimlach, haar `jaren-vijftig-uiterlijk' en door de manier waarop ze haar armen om zichzelf heen slaat. Hij schrijft haar een brief waarin hij vraagt of hij haar af en toe over zichzelf mag schrijven. Hij wil dat ze elkaar uitsluitend de waarheid zeggen, `dat je mijn mes bent, en ik zal het jouwe zijn', zoals Kafka dat indertijd van zijn geliefde Milena verlangde. Dat is het begin van een intense briefrelatie die steeds meer trekken krijgt van een liefdesrelatie. Op papier, wel te verstaan. Ook Mirjam is getrouwd en is niet van zins haar man in de steek te laten.

In Israël is Grossman geprezen om zijn subtiele, diepgaande beschrijving van de verhouding tussen Jaïr en Mirjam en vooral vanwege zijn inlevingsvermogen in de vrouwelijke hoofdpersoon. Jaïr is verwant aan andere hoofdpersonen in het werk van David Grossman (Jeruzalem 1954), vooral aan Aron uit De grammatica van het gevoel, het jongetje dat zich aan het begin van de puberteit geen raad weet met seksuele gevoelens en weigert volwassen te worden.

Grossman: ``Aron zou zo kunnen worden als Jaïr, als hij niet eerder iemand vindt als Mirjam, die hem kan verlossen van zijn angst. Want Jaïr wil intens leven, maar is er ook bang voor. Hij is bang voor liefde, voor pijn. Precies de dingen waarvoor Mirjam niet bang is. Zij kan hem verlossen, als hij haar tenminste de kans geeft. Daarvoor moet hij haar alle sleutels van zijn ziel geven. Dat is het wezen van de liefde. Jaïr vindt dat bedreigend. Toch is hij degene die het initiatief neemt. Hij is het bangst, maar tegelijkertijd het moedigst. Hij weet dat hij zichzelf niet kan redden, dat hij daarvoor iemand anders nodig heeft. Maar Mirjam heeft hem ook nodig. Het lijkt misschien alsof hij haar gebruikt, maar hij helpt haar ook. Hij, met zijn extremisme, met zijn kinderlijke eisen, leert haar dat zij ook eisen mag stellen, dat zij ook over zichzelf mag vertellen.''

Grossman vreest dat het verhaal `een saai boek' had opgeleverd als het in een meer conventionele vorm was gegoten. ``Maar ik wilde vooral kijken hoe ver je komt met alleen maar woorden. Hoeveel liefde, verbeelding, verlangen, emoties je kunt vangen in woorden. Dat is tenslotte het wezen van de literatuur. Toch wilde ik het boek niet laten eindigen met woorden. Dat zou verbale masturbatie zijn. Aan het eind moeten ze elkaar aanraken. Zodat ze verder kunnen.''

Jaïrs correspondentie bereikt een hoogtepunt als hij een week lang in Tel Aviv verblijft, op de vlucht voor de bof, waaraan zijn zoontje Ido lijdt. Hij is doodsbang om impotent te raken door de ziekte. Op zijn kamer in een louche hotel fantaseert hij dat ze samen vrijen en tot één lichaam worden en vindt dat een beangstigende gedachte. ``De meeste mannen zijn bang voor intimiteit,'' zegt Grossman. ``Als vrouwen echte liefde ervaren, geven ze daar prioriteit aan, mannen doen dat niet.''

Kort na zijn terugkeer uit Tel Aviv stopt Jaïr met schrijven. Grossman: ``Hij heeft Mirjam laten binnendringen in zijn innerlijke ruimte. In het begin is zij zijn ideale vrouw, maar pas aan het eind, nadat ze hem verteld heeft over haar problemen, over haar autistische zoon, als ze een vrouw van vlees en bloed blijkt, iemand die pijn lijdt, die zichzelf tegenspreekt, pas dan wordt hij echt verliefd en voelt hij de noodzaak haar de sleutels van zijn ziel te geven, en daarvoor deinst hij terug, daarom stopt hij. Maar aan het eind laat hij haar bij zich komen, op een rare, zelfs wrede manier, maar voor mij is het belangrijk dát hij het doet, niet hoe hij het doet. Zodra ze hem heeft aangeraakt, kunnen ze niet meer zonder elkaar, daar ben ik van overtuigd. Wat overigens niet betekent dat ze hun echtgenoten moeten verlaten.''

Een belangrijke inspiratiebron voor Grossman vormden Kafka's brieven aan Milena. ``Kafka schreef Milena soms wel vijf brieven op een dag, was wanhopig als hij geen brief van haar ontving. Maar hij wilde niet dat ze elkaar zouden ontmoeten. Mirjam zegt dat ze Milena niet kan begrijpen. Zij zou de trein nemen en zeggen: hier ben ik. Woorden zijn niet genoeg. Met woorden kun je niets genezen. Mirjam heeft echt contact nodig. Ze wil alle mogelijkheden openlaten. Terwijl Jaïr aanvankelijk juist alles onder controle wil houden. Maar heel geleidelijk geeft hij haar allerlei dingen over zichzelf, zijn echte naam, zijn adres.''

Net als in de gepubliceerde briefwisseling van Kafka en Milena zijn in Jij bent mijn mes alleen de brieven van de man opgenomen. Pas in het tweede, veel kortere deel komt Mirjam zelf aan het woord, in haar dagboekaantekeningen. ``Aanvankelijk bevatte het boek ook de brieven van Mirjam,'' zegt Grossman. ``Ik had er drie jaar aan gewerkt en stond op het punt het manuscript naar de uitgever te sturen. Maar ik was er niet tevreden over. Ik vond het een te makkelijke oplossing. Op een nacht schoot ik overeind en zei tegen mijn vrouw: ik gooi haar brieven eruit. Ze zei: je bent gek, maar de volgende ochtend ben ik aan de slag gegaan. Het herschrijven heeft me nog een jaar gekost. Nu moet je Mirjam creëren uit de kleine aanwijzingen die Jaïr geeft in zijn brieven. Dat eist meer van de lezer, maar het werkt veel beter.''

In de Israëlische winkels ligt sinds kort alweer een nieuwe roman van Grossman, Iemand om mee te rennen. Hij schreef het boek, net als Het zigzagkind, aanvankelijk als jongerenroman, maar volwassenen weten het eveneens te waarderen. Het gaat over een jongen van zestien, Asaf, die in opdracht van de gemeente de eigenaar van een loslopende hond opspoort. De hond voert hem mee naar verschillende plaatsen in Jeruzalem, waardoor hij steeds meer te weten komt over het baasje, de zestienjarige Tamar, totdat hij haar uiteindelijk vindt. Grossman: ``Ik schrijf altijd tweelingboeken. Na de diepgravende roman De grammatica van het gevoel kwam Het zigzagkind, dat hetzelfde thema – een jongen aan het begin van de puberteit – behandelde op een luchtiger en naar buiten gerichte manier. Zo is mijn nieuwe boek het antwoord op Jij bent mijn mes. Stap voor stap komt Asaf meer over Tamar te weten en raakt hij verliefd op haar. Maar terwijl Jaïr bang is om Mirjam te ontmoeten, is Asaf juist op zoek naar Tamar.''

Grossman heeft boeken geschreven voor alle leeftijdscategorieën. Bij het schrijven realiseert hij zich de scheidslijn tussen volwassenen- en jeugdliteratuur meestal niet zo. ``Het is het onderwerp dat het verschil dicteert. De plot is alleen maar de aankleding van het boek. Wat me echt interesseert is de psychologie van de personages. Soms begin ik een boek voor jongeren, maar blijkt het later toch meer een boek voor volwassenen te worden. Ik vind de jeugd de meest betekenisvolle periode in het leven, waarin je onderworpen bent aan de bureaucratie van de hormonen. Maar ik wil het ook over andere perioden hebben, daarom spelen kinderen of jongeren niet altijd de hoofdrol. Toch zal er in elk boek wel een kind in de buurt zijn.''

David Grossman: `Jij bent mijn mes'. Uit het Hebreeuws vertaald door Shulamith Bamberger.

Ambo, 351 blz. ƒ49,50

Buitenlandse literatuur

    • Hilde Pach