Japan manisch-depressief

De `nieuwe economie' gaf Japan een sprankje hoop. Die hoop lijkt nu ook de bodem te zijn ingeslagen.

Vertrouw geen Japanse statistieken: ze kloppen vrijwel nooit. Of ze zijn te optimistisch of te pessimistisch, maar zelden geven ze de werkelijkheid juist weer. Zie maar hoe vaak de Japanse bureaucraten met nieuwe cijfers komen die sterk van de oude afwijken, hoewel ze over precies dezelfde feiten gaan.

Hoe op dit moment de op een na grootste economie ter wereld er precies voorstaat is dan ook met geen zekerheid te zeggen. Analisten spreken van een `technische recessie', wat zoveel wil zeggen als: twee kwartalen achtereen kromp de Japanse economie (de definitie van een recessie), maar de analisten geloven dat ze in wezen bezig is aan een come back. Zou het?

Het leek er op dat zich in de Japanse economie een tweedeling voltrok, dezelfde als in het Westen, maar veel geprononceerder. Want niet alleen loopt de `oude economie' in Japan al jarenlang op wankele benen en wordt ze al bijna een decennium lang als een junk overeind gehouden door het infuus van (omgerekend) honderden miljarden guldens aan overheidsgeld; de `nieuwe economie' is er harder dan waar ook aan tuimelende beurskoersen en zelfoverschatting ten prooi gevallen.

Neem Hikari Tsushin, tot voor kort nog de lieveling van de beurs in Tokio. Het was een jong en veelbelovend internetbedrijf dat zijn geld, veel geld met de distributie van mobiele telefoons verdiende. Het moest onlangs aan beleggers vertellen dat het verlies maakte. De beurskoers is intussen met 90 procent vrijwel gesloopt.

Of neem Softbank, wereldwijd belegger in internetbedrijven, verschaffer van venture capital en, pikant detail, opgericht door een Japanner van Koreaanse afkomst; dus voor Japanse begrippen geen echte Japanner. Ook Softbank was een geliefd fonds onder Japanse beleggers. Niet meer. Softbank moest hen onlangs waarschuwen dat het verlies zal maken. Wat het bedrijf ondanks zijn gekelderde beurskoers nog staande houdt is zijn 51-procents belang in het internetbedrijf Yahoo Japan, dat nog steeds winstexpansie laat zien.

Tot voor kort werd zowel Hikari Tsushin als Softbank door beleggers beschouwd als het bewijs dat Japan tenminste in de internetwereld een geduchte macht in opkomst was. Een overdreven voorstelling van zaken, want je moest lang in de lijst beursfondsen zoeken voor je meer voorbeelden vond – als je ze al vond. De ouvertures op dat vlak van `oude' bedrijven als Sony (plannen voor een internetbank) of Hitachi of Toshiba (business to business e-commerce) veranderden het beeld niet echt.

Maar Japan had toch met zijn mobiele telefonie een voorsprong genomen? Was Japan niet het eerste land ter wereld waar al miljoenen mensen met hun mobiele telefoons op internet surfden?

Jazeker, en Docomo, de dochter van het gedeeltelijk geprivatiseerde staatsbedrijf NTT, het grootste telecombedrijf ter wereld (omdat het nooit, zoals AT&T in Amerika, is opgesplitst), Docomo dus, dat er als eerste mee op de markt kwam had er groot succes mee.

Maar Docomo (koosnaam voor de NTT-dochter, die `waar dan ook' betekent) zit ook in de moeilijkheden; het kwam gisteren met de treurige mededeling dat er intussen zo veel storingen zijn dat het niet meer kan instaan voor een goede dienstverlening. De capaciteit van de verbindingen schiet zo ernstig tekort, dat het heeft besloten nieuwe abonnees nog maar mondjesmaat toe te laten. De koers van Docomo kelderde.

Opnieuw een tegenvaller voor de `nieuwe economie' in Japan, die daarmee verder afglijdt van het eens zo veelbelovende pad. Wat in een verder matig presterende economie nog hoopgevend was, is nu ook manisch-depressief geworden.

Docomo is anders dan Hikari Tsushin of Softbank het slachtoffer geworden van zijn eigen succes: het had er eigenlijk nooit op gerekend dat Japanners zo massaal het mobiele surfen omhelsden. Zijn succes weerspiegelt dan ook de diepere problemen waar het land nu al bijna tien jaar mee worstelt: bureaucratische overregulering en honderden miljarden aan overheidsgeld dat verkeerd wordt besteed: aan overbodige infrastructuur en niet aan infrastructuur waaraan aantoonbaar behoefte bestaat (op de Japanse binnenzee een groot, gloednieuw passagiersschip zonder passagiers maar wel met 70 man bemanning en drie keukens die open zijn).

De Japanner consumeert te weinig, zo wordt vaak het probleem van de Japanse economie omschreven. De geestdrift voor het mobiele surfen geeft aan dat de Japanse consument wel degelijk geld wil uitgeven: alleen niet aan de dingen die de bureaucraten voor hem verzinnen. Zijn geringe consumptie die uit de statistieken blijkt is in wezen een kopersprotest.