Het virtueel bestaand socialisme

De term `Derde Weg' verwijst naar een ontwikkeling in de sociaal-democratie die al zo'n twintig jaar geleden is begonnen. Sociaal-democratische partijen kregen in de jaren tachtig – tijdperk van Thatcherism en Reaganomics – zware klappen. In de Verenigde Staten, Engeland, Duitsland en ook in Nederland, zat (centrum-)links langdurig in de oppositie. Het failliet van het communisme in Oost-Europa kwam daar nog bij, wat niet bevorderlijk was voor het zelfvertrouwen van links. In die context begon de sociaal-democratie op te schuiven naar het politieke centrum. `Modernisten' binnen de sociaal-democratie, die zich tegenwoordig tooien met het etiket `Derde Weg', namen een belangrijk deel van de dominante, neo-liberale kritiek op de `bureaucratische' verzorgingsstaat over.

Dat sociaal-democraten tegenwoordig met zoveel zelfvertrouwen spreken over een Derde Weg, is in de eerste plaats een belangrijk psychologisch feit. Linkse partijen zijn de schaamte voorbij, dat ze om te kunnen regeren eerst flink naar rechts moesten opschuiven. De modernistische stroming is duidelijk aan de winnende hand in het debat over de toekomst van links. Overigens is de term `Derde Weg' in de politieke geschiedenis al vaker gebruikt – met name om allerlei varianten van het socialisme aan te duiden die afstand namen van zowel het sovjet-communisme als de sociaal-democratie. In de huidige betekenis is het begrip afkomstig van de Amerikaanse `New Democrats'. De Engelse premier Tony Blair, die veel elementen van het programma van de Democraten heeft overgenomen, introduceerde de term in het Europese debat.

Goeroe

Een van de meest vooraanstaande auteurs van de Derde Weg is de Britse socioloog Anthony Giddens. Zijn boek The Third Way (1998) is de belangrijkste wrijfpaal van zowel voor- als tegenstanders van de Derde Weg. Deze zelfverklaarde `goeroe van Tony Blair' – aldus de flaptekst – probeert in zijn nieuwe boek The Third Way and its critics het hoofdbezwaar van `oud-links' te weerleggen, dat de modernisten de idealen van sociaal-democratie hebben verkwanseld. Althans, in het eerste hoofdstuk geeft Giddens een uitgebreide samenvatting van de kritiek op zijn vorige boek. Maar er gaapt een diepe kloof tussen dit eerste hoofdstuk en de overige hoofdstukken. Daarin zet hij opnieuw zijn opvattingen op een rij, maar vrijwel nergens citeert hij direct zijn critici.

Het lezen van Giddens is ongeveer even opwindend als het beluisteren van de Troonrede. De gedachten die hij schetst zijn dan ook niet de opvattingen van een intellectuele of politieke voorhoede, maar van een brede consensus bij links èn rechts. Giddens onderstreept voortdurend dat zijn gedachtegoed zich onderscheidt van het neo-liberalisme. Dat is juist, voor zover het het doctrinaire neo-liberalisme van de jaren tachtig betreft. Maar zijn opvattingen onderscheidden zich nauwelijks van het huidige, reëel bestaande liberalisme, waar de scherpste kanten inmiddels van zijn afgeslepen. De Derde Weg zoals Giddens die omschrijft is een eclectische mix van liberaal marktdenken, christen-democratische nadruk op het belang van het maatschappelijk middenveld – de civil society in een moderne, libertaire gedaante – en een sociaal-democratische hang naar een sterke, regulerende overheid. De term `communitarisme' wijst hij af, omdat die te veel ruikt naar anti-democratisch corporatisme. Van de christen-democratie neemt Giddens ook het belang over dat hij hecht aan een politieke middenpositie als doel in zichzelf. Daarvoor gebruikt hij de merkwaardige frase `het radicale midden'.

Het lijdt geen twijfel dat van de drie grote stromingen de liberale bij Giddens de boventoon voert en dat hij zich het mensbeeld van het liberalisme heeft eigen gemaakt, waarbij de `entrepeneur' als ideaaltype geldt. Handelsrelaties zijn volgens hem `in essentie vreedzaam'. De markt staat bij Giddens voor `de vrije keuze van consumenten' en stimuleert bovendien `de eigen verantwoordelijkheid van consumenten en producenten'. Daarnaast `genereert een succesvolle markteconomie veel meer welvaart dan welk rivaliserend systeem dan ook'. Verder toont Giddens een diepe afkeer van de verstikkende en bureaucratische `big state'. Stuk voor stuk respectabele posities, maar met de beginselen van de sociaal-democratie heeft het weinig te maken.

Toch spreekt Giddens op vrijwel elke pagina van zijn boek over `linkse waarden' als sociale rechtvaardigheid en solidariteit. Hij schrijft: `Links zijn is primair een kwestie van waarden.' Maar normen en waarden zijn – hoe belangrijk ook – uiteraard nog geen politiek programma. Zo'n links hervormingsprogramma ontbreekt bij deze auteur.

Hij wordt wèl concreet als hij schrijft over de macro-economische doelstellingen van de Derde Weg: inflatie en overheidstekorten laag houden en actieve maatregelen nemen om een `cultuur van ondernemerschap' te stimuleren. Giddens accepteert de meest recente incarnaties van het kapitalisme, globalisering en de kenniseconomie, als positieve fenomenen en legt sterk de nadruk op het belang van economische dynamiek. Daarnaast hanteert Giddens een definitie van `gelijkheid' die binnen de huidige politieke verhoudingen vooral met het liberalisme wordt geassocieerd: gelijkheid van kansen aan de start. Gelijkheid van uitkomsten speelt slechts een ondergeschikte rol. Een sterke nadruk op egalitarisme is volgens Giddens niet verenigbaar met `sociale diversiteit'.

Het compromis van de sociaal-democratie met de markteconomie dateert natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Maar voorheen hebben sociaal-democraten de vrije markt altijd geaccepteerd met andere, hogere doelen voor ogen, zoals de financiering van de verzorgingsstaat. Ze hebben zich altijd op z'n minst ongemakkelijk gevoeld bij de werking van de markteconomie. Aanhangers van de Derde Weg vormen echter de eerste revisionistische stroming binnen de sociaal-democratie die de vrije markt beschouwt als een waarde op zichzelf, als `de beste van alle mogelijke werelden'. Daarin schuilt ook het postideologische karakter van de Derde Weg.

Dood van het socialisme

De modernisten presenteren zich graag als `radicaal' en `vernieuwend' en hun oud-linkse tegenstrevers als `ouderwets' en `conservatief'. Dat klopt, voor wat betreft de houding van deze sociaal-democraten tegenover het verleden van hun eigen politieke beweging. Waar klassieke sociaal-democraten vaak te veel in het verleden leven, hebben de vernieuwers helemaal geen verhouding tot dat verleden. Giddens' opsomming van de kenmerken van de klassieke sociaal-democratie – staatsinterventie, collectivisme, corporatisme – is zó eenzijdig en negatief, dat het lijkt alsof in de Sovjet-Unie niet de communisten, maar sociaal-democraten aan de macht waren. Dit gebrek aan een verhouding tot de eigen geschiedenis, geeft het nieuwe zelfvertrouwen van de sociaal-democratie een holle klank. Dat kan zelfs de messiaanse stijl van Blair niet verhullen.

In The Third Way zette Giddens de kloof met de klassieke sociaal-democratie wel veel sterker aan dan in zijn nieuwe boek. Hij sprak provocerend van `de dood van het socialisme' en legde ook sterker de nadruk op het belang van wat hij het `nieuwe individualisme' noemde en de noodzaak van `risico' als innoverende kracht. Deze elementen krijgen aanzienlijk minder nadruk in zijn nieuwe boek. In The Third Way and its critics weerlegt hij niet zozeer de kritiek van klassieke sociaal-democraten, maar tracht hij door middel van allerlei bezwerende formules de kloof tussen oud- en nieuw-links te overbruggen.

Door die werkwijze geeft Giddens juist meer voeding aan het bezwaar van critici, dat het pragmatische programma van de Derde Weg vaag is en keuzes welbewust uit de weg gaat. `Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring', zei premier Kok in 1995 in zijn veelgeciteerde Den Uyl-lezing. Dat was tenminste helder. Giddens schudt zijn ideologische veren af en zegt vervolgens: `Kijk eens hoe mooi ze erbij staan.'

Anthony Giddens:

The Third Way and its critics.

Polity Press, 189 blz ƒ37,20

Politiek