Er is alleen buitenkant

Henk Peeters voelde zich altijd al aangetrokken tot zachte materialen. Waar collega nul-kunstenaars als Armando met plaatstaal en prikkeldraad werkten, koos hij voor bont en veertjes.

Het stuk schuimrubber steunde ooit een zware glasplaat waarvan de sporen zichtbaar zijn gebleven. De kunstenaar Henk Peeters (1925 den Haag) ontdekte er de vorm van meisjesachtige bovenbenen en een delicaat venusheuveltje in en verhief het stuk schuimrubber tot een kunstwerk, getiteld `Lolita', 1999. Het prijkt op zijn overzichtstentoonstelling Alle edities 1960-2000 bij de Amsterdamse Galerie van Gelder waarvan de vloer tijdelijk bedekt is met kunstgras. Een idee van Peeters die hiermee een passende omgeving wil scheppen voor zijn recente serie: als schilderijen gepresenteerde koeienhuiden die hij ironisch als 'portretten' aanduidt.

De retrospectieve van Henk Peeters die jarenlang geen kunst meer wilde maken, omvat verder fraaie monochrome werken, gemaakt met simpele middelen als bolletjes watten, veren en kunsthaar. Ze verwijzen regelrecht naar het artistieke klimaat in de eerste helft van de jaren zestig. Henk Peeters richtte in 1960, samen met Armando, Jan Schoonhoven en Jan Henderikse, de Nulbeweging op die deel uitmaakte van een Europese stroming.

Henk Peeters woont met zijn vrouw, de fotografe Truus Nienhuis, in een gehuurd jachtslotje dat op een terrein van Natuurmonumenten staat, gelegen aan de rand van de Veluwe. Aan de wanden hangen de werken van beroemd geworden buitenlandse geestverwanten met wie de Nulgroep vaak exposeerde: Duitse Zero-kunstenaars als Uecker en Piene, Fransen als Arman en Yves Klein en Italianen als Manzoni en Fontana. Sinds Peeters buiten woont, is hij zich ondermeer in vleermuizen gaan verdiepen. Ook determineert hij op gezette tijden paddestoelen, in gezelschap van een groepje bejaarde botanisten dat tegen bukken opziet en een aan een stok bevestigd spiegeltje onder de rok van ieder paddenstoeltje steekt.

Hoe ben je er ineens toe gekomen om weer kunst te gaan maken?

Henk Peeters: ,,Omdat het me gevraagd werd. Zo'n drie jaar geleden was er sprake van een project over koeien bij galerie Waalkens, georganiseerd door zijn vrouw, Corrie de Boer, ook een kunstenaar. Of ik daar ook aan mee wilde doen, was de vraag. Ik had wel een idee maar ik wilde niks maken. Zij wist wel leerlingen van de academie in Den Bosch waar zij les gaf, die mijn idee konden uitvoeren. Ik ben toen koeien gaan bekijken. Ulex 13, een Lakenvelder stier en een paar Frisian Holstein-koeien, Marie en Ankie. Hun huiden ophalen bij het abattoir en ze dan naar de leerlooier brengen, was geen pretje voor mij als vegetariër. De huiden zijn vervolgens door die academie-leerlingen opgespannen en bij Waalkens geëxposeerd.''

De koeienhuiden hebben je ook tot schilderen aangezet?

,,Ja, de zwart-wit portretten waarin ik me precies aan de tekening van de originele koeienhuid hou. Het zijn fingerpaintings op plastic. In mijn academie-tijd schilderde ik al graag portretten, bij voorkeur blote vrouwen. Soms heb ik er ineens zo'n zin in om dat weer te gaan doen.''

De kunstwerken op je tentoonstelling zijn bijna allemaal aaibaar tot en met de koeienhuiden aan toe terwijl een collega als Armando in de Nul-periode voor beeldende materialen als prikkeldraad of plaatijzer koos.

,,Het principe is hetzelfde maar het wordt toegepast door verschillende mensen. Op mijn expositie zag ik al mijn werk voor het eerst weer eens bij elkaar. Ik heb er met verbazing rondgelopen. Heb ik dat allemaal gemaakt? Ik zat vroeger zo dicht op dat werk dat ik er niet aan toekwam om mij af te vragen wat het mij persoonlijk te maken had. Nog heb ik altijd de neiging om in verband met mijn kunst over `wij' te spreken. Alsof ik nog steeds een voorvechter ben van een groep met een gemeenschappelijk artistiek uitgangspunt zoals Nul indertijd. Met zo'n houding word je natuurlijk nooit een gevierd kunstenaar, dat spreekt. In de kunstwereld vecht iedereen voor zijn eigen standje.''

Dat witte werk met veertjes, uit 1965, dat op de tentoonstelling hangt heb je samen met de excentrieke Japanse kunstenares Kusama gemaakt, ooit omschreven als een beminnelijke alruinwortel in een apenjas.

,,Dat kon in het kunstklimaat van toen. Het gemeenschappelijk streven van Nul was het funderen van de werkelijkheid als kunst, zoals het toen heette. Ik kon daar goed in functioneren. Voor mij was het een mogelijkheid om af te rekenen met al die beknellende zaken als het persoonlijke en unieke van het kunstwerk. Dat werk van mij is niet uniek. Iedereen kan het maken. Dat vond ik juist het leuke van de Nulkunst. Ideeën had ik genoeg en als ik de uitvoering zelf niet ter hand nam, kon een ander het doen. Dirigisme noemden we dat. Op een keer was Kusama toevallig op mijn atelier. Ze kon zo druk zijn en daarom dacht ik, ik moet haar bezighouden. Als een soort therapie. Ik was toevallig met veertjes bezig, die lagen op de vloer van het atelier en daarmee zijn we toen samen verder aan de slag gegaan. Zo is dat kunstwerk ontstaan.''

Hoe je tot de keuze van zachte materialen kwam, heb je je nooit afgevraagd?

,,Nee. Ik voelde me aangetrokken tot zachte dingen en nog. Ik vind het ook heerlijk als Zwabbertje op mij komt liggen om mij kopjes te geven. Of om zo'n paar dagen oude ree waarvan de moeder op de snelweg is doodgereden, op schoot te hebben. Maar dat laatste geeft wel een hoop werk. Truus en ik wisselen elkaar 's nachts af want zo'n diertje moet om de drie uur de fles. En als het koud is, houden we het binnen bij de haard en dan moet-ie pampers om.''

Inspireert de vacht van zo'n Perzische kat als Zwabbertje of van zo'n jong hertje je tot het maken van nieuwe kunstwerken?

,,Dat meen je toch niet hè? Alleen de gedachte daaraan maakt mij al droef. Ik vind het prettig om te aaien en geaaid te worden maar wie niet? Tijdens een interview over mijn werk, maakte iemand ooit de geestige opmerking: `U bent zeker na de geboorte direkt op een vachtje neergelegd.' Ik zal het mijn moeder eens vragen die is 96 en heeft een beter geheugen dan ik. Of mijn tante, die kan het ook weten, die is 106. Maar dit terzijde. Waar het mij al die jaren in mijn kunst om te doen is geweest, denk ik nu wel te begrijpen. Ik ben allergisch voor kunst met een zogenaamde diepere betekenis. In mijn jeugd ben ik overvoerd met betekenissen. Ik had een vader die overal wat achterzocht. Hij was van huis uit katholiek, was syndicalist, lid van de communistische partij en hij zat in de gemeenteraad van Den Haag en later bij Provinciale Staten. Mijn moeder was van gereformeerde huize. Enfin, de hele dag moest er diep worden nagedacht over wat er achter de dingen stak. Bij mij steekt er niks achter. Ik zoek het aan de oppervlakte. Als kunstenaar beperk ik me letterlijk tot de oppervlakte van het schilderij. Het is wat het voorstelt, meer is er niet.''

Geldt dat alleen voor je kunst?

,,Nee. Als ik om mij heen kijk, ervaar ik hetzelfde. Dit is het dan, hiermee moeten we het doen. Maar intussen is er wel van alles te beleven en te zien. In het eerste Nulnummer, uit 1961, was een citaat afgedrukt van Alain Robbe-Grillet dat mij nog altijd uit het hart is gegrepen. Het ging over de werkelijkheid waar wij tegen aankijken en die niets anders is dan een buitenkant. Want er is geen binnenkant. Er zit niks achter. Wat we zien is een glad hard oppervlak waarin we hoogstens onszelf weerspiegeld zien.'' Als kunstenaar kan je hoogstens een aangenaam oppervlak aanbieden zoals werken die ogen en zinnen strelen, bedoel je?

,,Vanuit mijn optiek is dat het hoogst haalbare. Een streling is een subtiel genot. Als ze het over oppervlakkige kunstenaars hebben, zou ik het een eer vinden als ze mij de meest oppervlakkige kunstenaar van allemaal noemen. Ik krijg wel te horen dat er geen ontwikkeling in mijn werk zit. Dan vraag ik: Moet dat dan? Mij gaat het daar niet om. Trouwens de kleine afwijkingen sluipen er toch wel in. Laatst was ik bij de Kniphal om nylonvacht te kopen. In de kleur rood was het in de aanbieding, heb ik dat maar gekocht. Ik werk in wit en zwart, ik had nog nooit iets in rood gemaakt. Dat is het rode vierkant geworden dat op de tentoonstelling hangt. Zo zie je maar dat er toch stijlveranderingen in mijn werk optreden.''

De Nulwerken op de tentoonstelling zien er allemaal zo fris uit, alsof je ze gisteren hebt gemaakt.

,,Het moet er uitzien zoals een produkt uit een warenhuis. Fris en nieuw. Alsjeblieft geen patina, geen sporen van de tand des tijds, geen huisstof en geen nicotine-aanslag. Maar een oud werk opknappen gaat bijna niet met al die vergankelijke materialen. Dat is het restauratie-probleem met moderne kunst. Ik maak alles gewoon opnieuw. Maar voor zo'n re-make moet ik wel de maten precies noteren. Laatst zei iemand voor wie ik een een oud Nulwerk onder handen had genomen, het ziet er weer prachtig uit maar het is ineens groter geworden. Wat ook lastig is, is dat de materialen steeds veranderen. Vroeger kocht ik witte bolletjes watten bij de Hema om er kunst van te maken maar nu verkopen ze alleen nog maar schijfjes. Mijn werkwijze bezorgt mijn galeriehouder veel hoofdbrekens. Verzamelaars willen van hem weten: is het een origineel, een remake of een multiple? Bij mijn werk doet dat er niet toe. Het gaat om het idee maar dat is de kopers niet uit te leggen. Ik los het op door op de achterkant van het schilderij de originele ontstaansdatum en die van de remake te schrijven.''

Waarom ben je in 1965 na de Nul-tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk museum eigenlijk opgehouden met het maken van kunst? Ook Armando heeft toen een paar jaar geen beeldende kunst meer gemaakt en alleen nog maar geschreven. Wat gaf de kater ?

,,Je wilt iets aanrichten met je kunst en je merkt dat er niets verandert.''

Wat dan, een wereldrevolutie ? Jullie hadden toch net een mooie grote tentoonstelling gehad?

,,Ik had gedacht dat we met onze kunst een omwenteling te weeg zouden brengen. Dat de mensen door onze kunst ondersteboven of een beetje van slag zouden raken waardoor ze ververst en verfrist tegen de werkelijkheid aan zouden kijken om die opnieuw te ontdekken. Een beetje naïef gedacht misschien. Maar er veranderde dus helemaal niets. Er werd gewoon niet op onze kunst gereageerd. Voor Sandberg heb ik altijd veel waardering gehad, ik neem hem niets kwalijk. Hij deed wat een museumdirecteur hoort te doen, alles laten zien wat nieuw is. Maar hij hield van Cobra, met ons werk had hij helemaal niets. In Nederland hebben we nooit goed gezeten. Er was geen museumdirecteur die zich achter ons stelde. Zeker als je het vergelijkt met de ontvangst van Zero in de Duitse musea waar vrijwel alles van Mack, Piene en Uecker werd aangekocht. Nu is de Nul-kunst in Nederland bijgezet en duur geworden maar toen .... In Duitsland is een werk uit de Nultijd trouwens nog altijd twee keer zo duur als hier.''

Je was teleurgesteld maar is dat een reden om definitief met de kunst te stoppen?

,,Kunst moet iets te weeg brengen, anders is het nutteloos. En door mijn rol als organisator van de Nulgroep met al die buitenlandse tentoonstellingen, transporten en noem maar op was ik totaal bankroet geraakt. Sommige collega's hadden ook geen cent en dan kwam het financieel op mij neer. Later betaalden ze dat weer af, kreeg ik maandelijks ƒ45- terug of zoiets. Het kon niet langer. Ik kreeg ook iets over mij van: waar doe ik het allemaal voor? Ik gaf les op de academie in Arnhem en door die kunst van ons en door onze radikale uitspraken over de kunst in het algemeen, ben ik ook nog bijna ontslagen. In de tweede helft van de jaren zestig kwam de democratiserings-beweging in het onderwijs op gang. Ik vond het toen veel leuker om al die frisse onbedorven academie-leerlingen met onze revolutionaire kunst-ideeën te confronteren. Voor de opstandige studenten van de katholieke universiteit in Nijmegen verzorgde ik de pamfletten, ik deed de vormgeving en drukte ze. En bij de NVSH hield ik een spreekuur voor ouders met lesbische kinderen die ik voorlichtte. Ik vond dat allemaal minstens zo leuk, of misschien nog wel leuker dan die kunst.''

Jan Schoonhoven is rustig doorgegaan met zijn kunst.

,,Jan werkte omdat hij het niet laten kon. Dat heb ik nooit gehad. Jan werd ertoe gedreven zoals hij zelf zei. Bij hem zat dat heel ingewikkeld. Hij maakte de kunst niet voor zijn lol, de zweep zat er achter. Het was een soort boetedoening, een soort strafwerk. Jan heeft van ambtenarij kunst weten te maken. Als hij een tekening of een reliëf had gemaakt, mocht hij weer drinken van zichzelf. Dat proces herhaalde zich steeds maar. Bij Armando lag het anders. Die had het wel gezien met al die bouten en moeren. Zo kan je niet aan de gang blijven. Na een tijdje is hij weer gaan schilderen maar toen tapte hij uit een heel ander vaatje. Toen maakte hij geen Nulkunst meer. En Armando heeft natuurlijk ook een trauma, de tweede wereldoorlog. Daar kan je hem om benijden. Zo nu en dan herhaalt hij zich wel en ik vind zijn werken niet allemaal even bezield maar het heeft toch een heleboel schilderijen en teksten opgeleverd. Met zo'n trauma kan je een heel leven vullen.''

Jij zou ook wel een trauma willen hebben?

,,Ik heb ook een trauma. Maar ik doe er niets mee. Als ik een Duitser zie word ik nog steeds misselijk. Komt door de oorlog. Bij ons thuis gebeurde er nogal het een en ander in die tijd. Mijn vader had voor de oorlog een coöperatief sigarenfabriekje opgericht en daar waren drukpersen en zenders geïnstalleerd. Het was ook een wapenopslagplaats en een contactpunt voor de raad van het landelijk verzet. Gerben Wagenaar kwam er. De Waarheid en Trouw werden bij ons gedrukt. Ik moest me op een geven moment melden voor de Arbeidsdienst. Ik was net ondergedoken toen ik door het raam twee SS-ers op de sigarenwinkel van mijn vader zag afstappen. `Die komen mij halen' dacht ik en toen ben ik in een kast gevlucht. Ik ben daar 24 uur in blijven zitten. Ze kregen mij niet meer uit die kast. Ik was verstijfd. Die SS-ers waren allang verdwenen. Ze hadden alleen maar sigaren gekocht. Ik droom er nog vaak over. '

Bij Galerie Van Gelder zit je tussen jongere kunstenaars.

Bevalt je dat?

,,Als ik zo'n galerie voor gearriveerde kunstenaars exposeer, voel ik me echt bijgezet in de kunstgeschiedenis. Ik voel me zelfs een tikje beledigd. Ik was destijds al uitgekeken op de schilderkunst en ik zie het meest in kunstenaars die er ook op uitgekeken zijn. Ik ben zelf niet technisch maar nieuwe middelen als video of de computer vragen om er wat mee te doen. Kunstenaars die daarmee experimenteren interesseren me. Dat het werk niet allemaal even goed is, is niet het belangrijkste. Het moet allemaal uitgeprobeerd worden. Neem Rineke Dijkstra die met foto's werkt. Dan zie je van die aandoenlijke mensen en van die spichtige jonge meisjes in badpak op zo'n strand. Dat vind ik toch wel heel mooi, dat je dat met een middel als fotografie kan overbrengen. Wij hebben indertijd een daad gesteld, het is mooi als nieuwe generaties de fakkel overnemen.''

De overzichtstentoonstelling van Henk Peeters bij Galerie Van Gelder duurt t/m 13 mei a.s. ( Planciusstraat 9 A, Amsterdam. Opningstijden: di t/m za 13-17.30 u en de 1e zondag van de maand)