Een seconde op een achternamiddag

De kunstenaars uit de zeventiende eeuw waren gefascineerd door details. Ze zagen en toonden het moment voor de bui losbarst, voor de hond opspringt, het korte ogenblik dat de zon op een vogelborst scheen.

Wie van zappen houdt, van de bruisende dynamiek van `la vie moderne', wie dagelijks omringd is met hyperactieve kinderen, gsm's, house en snelle auto's, kan maar beter niet naar het Rijksmuseum gaan. Daar is een tentoonstelling geopend, gewijd aan de Nederlandse kunst van de zeventiende eeuw, die haaks op de tijdgeest staat. Enerzijds is het een tentoonstelling gesponsord door het grote, nieuwe geld, aan de man gebracht met eigentijdse pr-middelen, bestormd door de hordes van de binnen- en buitenlandse pers en geopend door het staatshoofd. Anderzijds is het een tentoonstelling over aandacht, concentratie en stilte. Men treft er een overvloed aan van werken van kunstenaars die, zoals zelden in een andere kunstperiode het geval is geweest, gefascineerd waren door details en door de atmosfeer van het moment. Zij konden dat pas weergeven na jaren oefening en geconcentreerd kijken, en omgekeerd vraagt hun werk ook langdurige beschouwing om de grootsheid van die kunst te kunnen opnemen. Het wit van een meeuwenborst boven een stormachtige zee, één seconde verlicht door een zonnestraal, het aandachtige gelaat van een jongetje dat een hond vlooit, de plooi in de wollen rok van een dienstmeisje 's middags in een kamer, het patroon van een Turks tapijt, de rimpeling in het water waarin ook nog de reflectie van een scheepsmast is te zien, een koeienstaart die loom een onzichtbare vlieg verjaagt, de mondhoek van een vijfjarig meisje en ga zo maar door. En dat zijn nog maar de details. Dan hebben we het nog niet eens over de totale compositie.

Wat er in de hoofden van de duizenden schilders van de Gouden Eeuw is omgegaan weten we niet. Hoe ze dachten of spraken, wat ze geloofden, het blijft voor altijd een raadsel. Maar dat ze drieëneenhalve eeuw geleden dergelijke details hebben gezien en wisten dat die kenmerkend waren voor een specifieke atmosfeer, voor een enkele seconde op een achternamiddag, voor het moment voordat de regenbui werkelijk losbarst, of voor het waakzame hondje opspringt, dat wisten ze heel goed. Het zijn universele momenten, metaforen van een beleving. Onze herkenning van die details en van dat ene ogenblik, dat is wat ons verbindt met die schilders. Dergelijke details zijn keer op keer waar te nemen op de schilderijen op de jubileumtentoonstelling De glorie van de Gouden Eeuw.

In 1985 vierde het Rijksmuseum zijn honderdste verjaardag. Dit jaar is al weer het 200-jarig bestaan aanleiding tot festiviteiten en of het niet op kan zou men over acht jaar en zelfs in 2015 aanleiding kunnen vinden om opnieuw de feesttaart aan te snijden. De oorzaak van zoveel feestelijkheden ligt besloten in de wat schokkerige voorgeschiedenis van het Rijksmuseum, waarbij de historie van collectie, behuizing en benaming door elkaar lopen. In 1800 werd in Den Haag de Nationale Konst Gallerij opgericht. Dit was de eerste collectie Nederlandse kunst die nationaal bezit heette en die bovendien openbaar toegankelijk was. In 1808 (het volgende 200-jarig bestaan) verhuisde deze collectie naar Amsterdam, naar het voormalige stadhuis en kreeg daar de naam `Koninklijk Museum'. Zeven jaar later werd op de Kloveniersburgwal het Trippenhuis ingericht voor deze verzameling en toen dook voor het eerst de naam `Rijks Museum' op (eveneens een jubileum waard). Driekwart eeuw later knapte de rijksverzameling uit haar jasje en was het hoog tijd voor een echt volwassen nationaal museum in een nieuw gebouw, zoals elk zichzelf respecterend Europees land inmiddels bezat. Dat werd het door P.J.H. Cuypers ontworpen Rijksmuseum, dat in 1885 zijn deuren opende. Binnenkort gaat het voor een paar jaar dicht en volgt een verbouwing van honderd miljoen, waarna het feestelijk heropend zal worden.

Vijf uur

De levensloop van het museum geeft dus volop gelegenheid tot frequente retrospectie, feest en herdenking en dat gebeurt dit jaar dan ook. Het hoogtepunt van de reeks exposities in dit jubeljaar is de vorige week geopende tentoonstelling De Glorie van de Gouden Eeuw.

Het is – om dat maar direct vast te stellen – een mooie en omvangrijke tentoonstelling, die eigenlijk te groot is voor één bezoek. De kwaliteit van de stukken is zo hoog, dat wie voor de 140 schilderijen, 60 beelden en voorwerpen van toegepaste kunst en de 100 prenten en tekeningen, per stuk ook maar één minuut reserveert, toch al gauw vijf uur in de weer is. Dat ligt ver boven het gemiddelde museumbezoek. Voor Nederlanders is er in ieder geval de praktische troost dat de helft van de schilderijen normaal ook in een Nederlands museum te zien is, waarvan het grootste gedeelte in het jarige museum zelf.

Voor de geregelde museumbezoeker hangen er dus veel oude bekenden en is deze tentoonstelling in hoge mate voorspelbaar. Toch valt de tenoonstelling niet af te doen als alleen maar een herhaling. Ten eerste zijn de eigen schilderijen gecombineerd met ruim 60 bruiklenen uit het buitenland, ten tweede is in de zalen ook beeldhouwkunst en toegepaste kunst opgesteld en ten derde zijn de wanden nu eens niet in grijs of gebroken wit geverfd, maar hebben ze uitgesproken kleuren gekregen.

Maar wat hangt er nu eigenlijk en waarom hangt het er?

Het Rijksmuseum is vanouds een instelling waar het zwaartepunt vooral ligt op de Nederlandse kunst van de zeventiende eeuw. Aankoop- en tentoonstellingsbeleid zijn daarop gericht. Op dit gebied heeft het museum dan ook een actieve rol gespeeld in het veranderende beeld van die Gouden Eeuw. Tentoonstellingen in de afgelopen 25 jaar hebben de aandacht gevestigd op veronachtzaamde genres, stijlen en kunstenaars en op nieuwe interpretaties. Zo heeft men meer oog gekregen voor de mogelijke verborgen betekenissen van alledaagse taferelen (Tot Lering en Vermaak), voor de verhalende historieschilderkunst (God en de Goden), voor de wijze van hangen in vroeger tijd (Prijst de Lijst), voor de etalering van schilderkunstig vakmanschap van de fijnschilders en voor de vruchtbare voorgeschiedenis van de Gouden Eeuw (Kunst voor de Beeldenstorm en de Dageraad van de Gouden Eeuw).

Dit jaar heeft het museum niet gekozen voor een grensverleggend thema, het is eerder een conservatieve pas op de plaats. Noch de tentoonstelling noch de zeer leesbare begeleidende boeken bieden een nieuwe visie. In de inleiding van het boek over de schilderkunst valt te lezen dat de getoonde meesterwerken `de artistieke Glorie van de Gouden Eeuw' vertegenwoordigen, dat het uitgangspunt is geweest `het beeld van de 17de-eeuwse Hollandse kunst zoals de verzamelingen van het Rijksmuseum dat op dit moment geven' en dat men een `ideaal beeld van de kunst van de Gouden eeuw' biedt.

Verloren gegaan

Voorzover men hierin een tentoonstellingsconcept kan herkennen, komt het er geloof ik op neer dat de keuze van de conservatoren bepaald is door wat zij nu zien als de ideale afdeling zeventiende-eeuwse kunst. Esthetische criteria gemengd met een dosis persoonlijke voorkeur en goede wil van bruikleengevers, hebben daarbij de doorslag gegeven. Wat men hier in 22 zalen en kabinetten voor ogen krijgt is dan ook allerminst een representatief beeld van de kunstproductie in die eeuw. Hoe zou dat er trouwens moeten uitzien? Er zijn in die eeuw miljoenen schilderijen gemaakt (minimaal wordt het op zeven miljoen geschat), variërend van het zogeheten `dozijnwerk' vervaardigd in een dag, tot de minutieuze werken van bijvoorbeeld iemand als Gerard Dou, die maanden over een schilderij deed. Van die enorme productie, voor een koop- en kijkgraag publiek, is het meeste verloren gegaan. Een kleine miljoen zeventiende-eeuwse werken zijn, verspreid over vooral Europa en Amerika, bewaard gebleven. Het Rijksmuseum bezit daar een paar duizend van. Daartoe behoren weer enkele honderden schilderijen die in de loop van 200 jaar opgeklommen zijn tot de top. Ze zijn gemaakt door schilders die men in deze periode is gaan rekenen tot de canon, met in de eredivisie Rembrandt, Frans Hals en Vermeer. Dat deze schilders vertegenwoordigd zijn (Vermeer onder andere met Het glas wijn uit Berlijn, dat niet op de Vermeertentoonstelling hing) is niet verbazingwekkend. De keuze voor de top van de canon sluit uit dat men een representatief overzicht kan geven, dan zouden er ook zwakkere werken getoond moeten worden.

Maar ook een canon is onderhevig aan veranderingen en wanneer deze tentoonstelling de smaak van het Rijksmuseum anno 2000 is, dan kan men zich afvragen hoe die smaak de afgelopen decennia veranderd is. Op een jubileum in laten we zeggen 1965 zou de nadruk meer gelegen hebben op de Hollandse canon. Dat wil zeggen dat toen nog als `onnederlands' beoordeelde werken afwezig zouden zijn: de historiestukken van De Bray cum suis, de Italianisanten, de Utrechtse Caravaggisten en de elegante verfijnde werken uit het einde van de eeuw. Ook zou er minder aandacht besteed zijn aan het stilleven; nu hangen er maar liefst zestien stillevens. Omgekeerd vind ik dat het individuele portret ondervertegenwoordigd is, dat de vroege nog half-Vlaamse meesters er bekaaid afkomen en dat enkele schilders ten onrechte ontbreken, met name Goltzius, Hendrick Cornelisz Vroom, Adriaen Brouwer en Michael Sweerts.

De 140 schilderijen zijn gegroepeerd in thema's en genres en wel in chronologische volgorde. Erg dwingend is dat niet en de bijbehorende teksten zijn uiterst summier; een inleiding of verantwoording in historische of kunsthistorische zin ontbreekt. Meestal is uitgegaan van een werk uit de eigen collectie en heeft men uit andere musea een werk gekozen dat daarbij aansluit, vooral om te laten zien welk verschillen er binnen een genre bestonden. Zo hangt een interieur van de Nieuwe Kerk van Delft van Gerard Houckgeest uit het Mauritshuis naast een schilderij met hetzelfde thema van Emanuel de Witte (uit Lille). Zelfde tijd, zelfde plaats, maar een andere golflengte. Waar Houckgeest een geometrische, analytische geest uitdraagt, met aandacht voor het ritme van zuilen, bogen en plavuizen, daar schilderde De Witte, uit hetzelfde standpunt, vooral de atmosfeer in zo'n kerk op een dag dat het licht door de hoge ruiten naar binnen valt, langs de zuilen scheert en neerdaalt op groepjes bezoekers die zich vergapen aan het gebouw en aan het grafmonument van Willem de Zwijger. Men kan zien hoe verschillend Rembrandt, Jacob van Ruysdael en Jan van Goyen ieder op ongeveer hetzelfde formaat een Hollands landschap onder zware bewolking weergaven. Of vergelijk twee stillevens, het ene van Jan Jansz. Treck uit Boedapest, het andere van Jan Jansz. van de Velde van het Rijksmuseum zelf. Beiden schilderden een zogeheten `ontbijtje' met gelijke voorwerpen: glas, tin en porselein, een stukje brood en een servet. Beiden legden een quasi nonchalant gearrangeerd ensemble vast, maar er hebben hier geheel verschillende personen gedekt en gegeten.

Puzzelen

Dit zijn veelzeggende vergelijkingen. Ze maken de bezoeker in één klap duidelijk hoe verschillend, zelfs binnen de vele genres en subgenres, de mentaliteit van de werken kan zijn, dramatisch of verstild, kleurrijk of monochroom, uitbundig of melancholiek. Ook tonen ze hoe oneindig groot het aantal keuzes is geweest dat de schilders hebben gemaakt in compositie, kleurgebruik en verfbehandeling om tot overtuigende resultaten te komen.

Behalve naar vergelijkingen kan men op deze tentoonstelling ook op zoek gaan naar al of niet bedoelde onderlinge verwijzingen. In de Eregalerij wordt men verwelkomd door twee beelden van Willem de Zwijgers grafmonument, Justitia en Libertas. Dat monument kan men weer terugvinden op de schilderijen van Houckgeest en De Witte. En om nog verder te puzzelen: op een familieportret van diezelfde De Witte heeft hij aan de muur een schilderij door hemzelf afgebeeld, dat ook de Nieuwe Kerk te Delft voorstelt. De keukenmeid die op het schilderij van Gabriel Metsu een gordijn opzijschuift, onthult daarmee een zeegezicht dat sterk verwant is aan het werk van de eveneens aanwezige Jan Porcellis. Wie verder zoekt, ziet kasten, stoelen en tafels die familie zijn van die op geschilderde interieurs. Op verscheidene stillevens herkent men roemers, waarmee ook de schutters op schutterstukken elkaar toedrinken en die ook in het echt geëxposeerd zijn. Die uiterst scherp geselecteerde hoogtepunten van Nederlandse beeldhouwkunst en kunstnijverheid – meubelen, wandtapijten, zilver-, goud-, en glaswerk en ceramiek – zijn een experiment. Ook hier werk uit de eigen collectie aangevuld met bijzondere bruiklenen, zoals de monumentale kandelaber die in 1640 aan de shogun geschonken werd, of het fabelachtig strak vormgegeven zilveren toiletstel van Veronica van Aerssen van Sommelsdijck. Indrukwekkend zijn ook de marmeren levensgrote borstbeelden van vooraanstaande Nederlanders, die spotten met alle noties van het `huiselijke, eenvoudige en sobere' Nederland.

Niet overal is de integratie van schilderkunst en kunstnijverheid geslaagd. Dat komt deels door de kappen van plexiglas en door de zware sokkels daaronder. Die detoneren bij de verfijnde schatten die ze dragen. De laatste zaal vertegenwoordigt, samen met grote schilderijen van De Lairesse en Hondecoeter de uitbundige hofstijl van stadhouder-koning Willem III. Juist daar staat tegen de lange zijwand de faience wel erg saai geëtaleerd. De verzonken glazen vitrines doen het beter.

Nieuw in de inrichting is dat elke zaal, elk kabinet, dus elk thema een eigen kleur heeft gekregen. Die kleuren, aangebracht op schermen die los van de muren staan, zijn niet effen, maar hebben een zekere levende aardsheid. Dat werkt meestal goed, al zijn ze een enkele maal te dominant, zoals in de zaal met het grote schilderij uit Huis ten Bosch, dat de symbolische geboorte van Frederik Hendrik voorstelt en waar het oranje wel erg opdringerig is. Ook in andere zalen past het gekozen fond gewoon niet bij de schilderijen (zoals in de zaal met Saenredam en die met Vermeer).

Naast deze zalen biedt het Prentenkabinet een uitgelezen selectie van 100 prenten en tekeningen. De tekenkunst vormde de basis voor de schilderopleiding. Daar leerden de leerlingen kijken en hier moeten ze opmerkzaam zijn gemaakt op wat het licht uithaalt met de vaste en de levende materie. We zien hier vroege tekeningen en etsen van het Nederlandse landschap aan het begin van de eeuw van onder andere Claes Jansz Visscher en Esaias van de Velde, de eigenzinnige experimenten van Hercules Seghers, de studies van planten en dieren, de observaties van het alledaagse (de alleen met penseel uitgevoerde studies van een slapende en tot aaien nopende hond van Gerbrand van den Eeckhout), de genoeglijke tekening van een binnenhuis met handwerkende vrouwen bij de haard van Willem Buytewech uit Berlijn.

Ook treffen we anders dan op de afdeling met schilderijen, de kunstenaar aan het werk aan. Er hangen schetsen en oefeningen, bijvoorbeeld een heel oefenblad met studies van figuren en handen van Jacques de Gheyn II. Op een mezzotint van Waillerant Vaillant zien we een jongen in het atelier. En niet te vergeten de portretten, met als een van de hoogtepunten het zelfportret in rood krijt van de weinig bekende Dirck Helmbreker (uit de National Gallery of Art in Washington). Het is deze aandachtige blik – en vergelijk ook daarmee het allesverpletterende zelfportret van Carel Fabritius uit Boijmans van Beuningen – waarmee het hele kunstambacht begon en die er na een lange leertijd voor zorgde dat men even bekwaam een mythologische scène, een Italiaans landschap of de concentratie van een briefschrijver kon weergeven als sits en damast, mensenhuid, tin of een druppel dauw op een bloemblad.

De Glorie van de Gouden Eeuw. Nederlandse kunst uit de 17de eeuw. Rijksmuseum, Amsterdam. Schilderijen, beeldhouwkunst, kunstnijverheid tot 17 september. Tekeningen en prenten tot 16 juli. Bij de tentoonstellingen zijn twee catalogi verschenen van resp. fl75,- en fl60,- (gebonden) en fl55 en fl40 (paperback).

Kaarten zijn te koop tijdens de tentoonstelling op de dag van bezoek aan de kassa's van het museum; in de voorverkoop via postkantoren, VVV's, GWK stationskantoren of via tel. 0900-3001250.

Dat wij details herkennen, en dat ene ogenblik, dat verbindt ons met die schilders

Hoe verschillend gaven Rembrandt, Ruysdael en Van Goyen een Hollands landschap onder zware bewolking weer