Een muzikale fragmentatiebom

Componist Elliot Carter vindt zijn eigen muziek makkelijker om naar te luisteren dan Beethovens werk. Volgende week gaat zijn ASKO Concerto in Amsterdam in première.

,,You liked it? Did you like the piece?'' Met een jongensachtige nieuwsgierigheid en enthousiasme reageert componist Elliott Carter (1908), als hij verneemt dat ik eergisteravond de eerste repetitie van zijn ASKO Concerto heb bijgewoond. Graag was hij bij de eerste uitvoering van het werk op 26 april in het Amsterdamse Concertgebouw aanwezig geweest. Maar de gezondheid van zijn vrouw Helen laat momenteel te wensen over en maakt een overtocht vanuit Lower-Manhattan daarom wat te vermoeiend. Nu praten we over de telefoon en is het aanvankelijk de interviewer die honderduit wordt gevraagd over de werking van de tempi en de kleurverhoudingen binnen het stuk. ,,En hoe was de balans tussen de harp, celesta en fluit bij maat 225?'' vraagt hij met een zachte en gedecideerde stem. ,,De muziek tinkelde als het kristallen gewaad van een fee'', stel ik hem gerust.

Op eenennegentigjarige leeftijd is Elliott Carter nog altijd een toegewijd dienaar van de muze. ,,Componeren is mijn voornaamste bron van plezier. Muziek maakt het leven interessanter.'' Ooit, tijdens zijn middelbare schooltijd, is deze liefde ontkiemd: ,,Er was een leraar die van moderne muziek hield en geïnteresseerde leerlingen meenam naar concerten. Zo kwam ik bij een uitvoering van Stravinsky's Sacre du Printemps terecht, door Pierre Monteux en de New York Philharmonic. Ik was er totaal van ondersteboven. Deze leraar bracht ons ook in contact met de componisten van wie werk werd uitgevoerd. Zo leerde ik Ives kennen, en Ruggles. Edgar Varèse bleek vlak bij mij in de buurt te wonen.'' Het was vooral Charles Ives (1874-1954), de pionier en nestor van de Amerikaanse muziek, die Carter aanspoorde om zijn ontluikende compositorische talenten verder te ontwikkelen. ,,Mijn eerste compositie dateert van 1940, of iets eerder. Alles wat ik daarvoor heb gemaakt, tijdens mijn studie bij Walter Piston en bij Nadia Boulanger in Parijs, heb ik vernietigd. Het is een canon voor vier saxofoons, die ook wel eens bij jullie op het Holland Festival is uitgevoerd, al was je toen misschien nog niet van de partij. Momenteel werk ik aan een celloconcert, voor Yo Yo Ma en de Chicago Symphony. Het is de bedoeling dat het in september 2001 voor het eerst wordt uitgevoerd.''

De muzikale taal die Carter de afgelopen zestig jaar ontwikkelde, maakt hem samen met John Cage (1912-1992) en Morton Feldman (1926-1987) tot de gezichtsbepalende figuren van het Amerikaanse muziekleven van na de Tweede Wereldoorlog. Carters composities kenmerken zich door hun tomeloze vitaliteit en rusteloosheid. Muzikale gebeurtenissen volgen elkaar razendsnel op, of bewegen zich simultaan in verschillende richtingen. Melodielijnen verschieten van kleur terwijl ze door de afzonderlijke stemmen van het orkest razen en worden opgebroken in rondtollende segmenten, die elk een eigen leven gaan leiden. Overal weerklinken echo's, variaties en omspelingen, als de weerspiegeling van zonlicht op de rimpelingen van het wateroppervlak. Het is muziek die een grote mate van spontaniteit doet vermoeden, maar waaraan veel berekening en zorgvuldige planning ten grondslag ligt. ,,Hoewel er vaak meerdere zaken tegelijkertijd plaatsvinden, probeer ik verkeersopstoppingen te vermijden. Eén van de dingen die ik van de strikte contrapuntlessen van Nadia Boulanger heb geleerd, is om voor alle onderdelen van een compositie aandacht te hebben en te zorgen dat alles in de muziek belangrijk en waardevol klinkt.''

Grillig

Tijd is van oudsher beschouwd als een voorwaarde voor muziek, zoals ruimte dat is voor beeldhouwkunst. Het concept van tijd als manipuleerbaar medium, vormt een belangrijk onderdeel van Elliott Carters compositietechniek. Muzikale lagen worden op elkaar gestapeld en spelen zich tegelijkertijd af op verschillende snelheden. Hierbij is het zeer wel mogelijk dat de ene laag versnelt en een andere vertraagt, terwijl een derde een constant tempo aanhoudt. Er ontstaan zodoende spanningsverhoudingen tussen `kloktijd' en `psychologische tijd'. ,,Deze ideeën zijn geleidelijk aan ontstaan, omdat ik besefte dat traditionele begrippen als melodie en begeleiding nergens in de buurt kwamen van de diversiteit van relaties tussen muzikale elementen, zoals die mij voor ogen stonden. De stemmen in de muziek moesten zich tot elkaar verhouden zoals mensen zich tot elkaar verhouden, grillig en onvoorspelbaar, elkaar becommentariërend. Ik heb gezocht naar mogelijkheden om een meerduidigheid in mijn muziek te bereiken, die raakt aan de complexiteit van ons dagelijks bestaan.''

Carters composities hebben vaak de impact van een muzikale fragmentatiebom. Ze verlangen vaak het uiterste, zowel van de uitvoerenden als van de toehoorders, maar nooit het onmogelijke. Wie zich er aan overgeeft, wordt in vervoering gebracht door een overweldigend virtuoze kleurenpracht en een breed scala aan gemoedstoestanden. ,,Ik begrijp niet zo goed waarom mensen mijn muziek als complex ervaren. Je moet eens een rode kool doormidden snijden en goed bestuderen. Dat is pas complex, je weet niet wat je ziet. Moderne muziek is in zekere zin makkelijker om naar te luisteren dan Beethoven. Het is veel directer, levendig en onverwacht, een geluidswereld die beter aansluit op onze realiteit. Mensen kunnen bij Beethoven makkelijker afdwalen met hun gedachten. Ik probeer dat afdwalen te incorporeren in mijn muziek. We leven in een moderne wereld, maar blijkbaar vinden we het niet altijd prettig om ons dienovereenkomstig te gedragen, waardoor muziek vaak als een soort tranquillizer wordt aangewend.''

Het ASKO Concerto, geschreven in opdracht van het Eduard van Beinum Fonds, ontstond tussen afgelopen september en januari van dit jaar. ,,Het ASKO-Ensemble, dat mijn muziek reeds vele malen heeft uitgevoerd, bestaat uit zulke voortreffelijke muzikanten, dat ik het eigenlijk zonde vond om ze in de totaalklank van het ensemble op te laten gaan. Ik wilde van hun individuele kwaliteiten gebruik maken, ze beschouwen als zestien verschillende solisten. Ze treden voor het voetlicht in kleine groepjes van wisselende samenstelling, als duo, trio of kwintet en een enkele keer onbegeleid. Korte, snerpende tutti-passages markeren de overgangen van de ene sectie naar de andere in het stuk. Hoewel de muziek overwegend lichtvoetig van aard is, bestaan er schrille contrasten tussen de afzonderlijke solistische segmenten.''

Soberheid

De partituur van het ASKO Concerto maakt op het eerste gezicht een wat academische indruk. Een groot deel van de tijd lijkt er niet zoveel te gebeuren: wat spaarzame lijnen die zich vrij ongecompliceerd tegen elkaar aftekenen, afgebakend met goed gedoseerde, korte erupties. Even lijkt het erop, alsof hij zichzelf in zijn recentere werk wat meer soberheid en ruimte toestaat. Maar zodra de muziek tijdens de repetitie tot klinken wordt gebracht, treedt Carters bijzondere magie in werking: er blijkt plots toch van alles te gebeuren, kleine nuances zorgen ervoor dat het muzikale landschap aan een voortdurende metamorfose onderhevig blijft. De wat brokkelige vorm werkt juist heel spannend, evenals het op papier zo eigenaardige slot: een fagot-solo, gelardeerd met sforzando-akkoorden.

Dirigent Oliver Knussen: ,,Sommige van Carters stukken, het ASKO Concerto is er één van, lopen bijna vanzelf en vervolgens kun je de expressie tot in het oneindige uitdiepen. Andere stukken, zoals Penthode (dat eveneens ten gehore zal worden gebracht tijdens het concert op 26 april), zijn moeilijk en zullen dat ook altijd blijven. Je zult er elke keer weer hard voor moeten knokken om ze van de grond te krijgen. Carters muziek is van grote invloed geweest op de generatie componisten die hun vleugels uitsloegen in de jaren zestig en zeventig, waartoe ook ik behoor. De fijnmazige detaillering en de onmiddellijk aansprekende dramatiek van het Concerto for Orchestra (1969) was een ear-opener. Carter was voor ons de schakel met de vroeg twintigste-eeuwse Amerikaanse avant-garde, hij was de creatieve erfgenaam van Ives en Varèse. Het was daardoor des te verbazingwekkender dat Carters muzikale output na zijn zeventigste niet langzaamaan stagneerde, maar juist steeds verder werd opgevoerd.''

Elliott Carter begon op vierentachtigjarige leeftijd aan het grootste project van zijn leven: de ruim drie kwartier durende `Symphonia Sum Fluxae Pretium Spei'. Vorig najaar ging in Berlijn zijn allereerste opera, getiteld `What's Next?' in première. De Symphonia verschijnt volgende maand op cd, in een sublieme uitvoering door Knussen en het BBC Symphony Orchestra. Het wordt geflankeerd door het uit '96 daterende Clarinet Concerto, in een al even duizelingwekkende vertolking van Michael Collins.

Hoe ouder hoe gekker, kortom. In het geval van Elliott Carter heeft dit adagium zelfs een dubbele betekenis. Als ik hem vraag hoe het voelt om een éénentwintigste-eeuwse componist te zijn, antwoordt hij: ,,Ach, ik ben bang dat de kunst van deze eeuw misschien minder avontuurlijk en blikverruimend zal uitpakken dan die van de vorige. De tv en de filmindustrie hebben al een hoop kapotgemaakt. Het ontneemt mensen een zekere ontvankelijkheid voor subtiliteit. Honderd jaar terug ging men gewoon naar de opera. Jonge componisten komen weleens op mij af en vragen me: `In wat voor een stijl moet ik schrijven'. Maar dat is onzin. Je zoekt geen stijl uit, een stijl zoekt jou uit. Met sommige oude stukken, zoals het ballet `The Minotaur' uit 1947, kost het me wat meer moeite om mezelf daarin te ontwaren. Maar ja, ik was gek op Stravinsky, het was in opdracht van George Balanchine, waar Stravinsky ook mee had samengewerkt, en ik had nog nooit balletmuziek geschreven. Ik dacht gewoon dat alle balletmuziek hoorde te klinken als die van Stravinsky. Toch, als je dat buitenste laagje ervan afhaalt, dan is het net als met brieven die ik zeventig jaar geleden schreef: je kan van toon zijn veranderd, maar je herkent jezelf meteen. Binnenin blijf je altijd dezelfde.''

Elliot Carter: Penthode, ASKO Concerto, 26 april, 20.15 uur Concertgebouw Amsterdam. Kaartverkoop: 020 6718345. CD: Deutsche Grammophon 459-660-2 Carter : Symphonia, Clarinet Concerto, Oliver Knussen, BBC Symphony Orchestra/London Sinfonietta, Michael Collins, clarinet