Een fijnbesnaarde timmermanszoon

Omstreeks 1952 moet de toen veertigjarige Nagieb Mahfoez een geestelijke crisis hebben gehad, culminerend in een mystieke ervaring die hij pas na jaren te boven kwam. De eerste roman die hij daarna schreef werd de meest omstredene uit zijn oeuvre: Kinderen van Gabalawi, een allegorische roman waarin hij zich distantieerde van zowel de traditionele godsdiensten als van hun opvolger de wetenschap. Het werk, dat in 1959 in afleveringen in het dagblad Al-Ahram werd gepubliceerd, heeft in Egypte nooit in boekvorm mogen verschijn en moest dus in het liberale Beiroet gedrukt worden. Een korte blik op de inhoud maakt duidelijk waarom.

Aan de rand van de woestijn staat een groot huis met tuin, dat het midden houdt tussen het paradijs en Kafka's Slot. Daar woont, met zijn zonen, de patriarch Gabalawi een streng en wispelturig heer. Als zijn oudste zoon Idries, wiens naam herinnert aan Iblies, de Arabische duivel, in opstand komt wordt hij verjaagd. Een jongere zoon, Adham, wacht hetzelfde lot wanneer hij, via zijn vrouw opgejut door Idries, kennis over het landgoed wil verkrijgen uit het geheime archief van zijn vader. Een zoon van Adham slaat per ongeluk zijn broer. Het is niet moeilijk in dit alles de val van Lucifer, de verdrijving uit het paradijs en Kaïn en Abel te herkennen.

In de drie middelste delen worden de hoogtepunten van de godsdienstgeschiedenis belicht. Gabal staat voor Mozes, die als eerste voor Gabalawi's afstammelingen een aandeel in het erfgoed opeist en een opstand onderneemt tegen de corrupte beheerders en hun knokploegen die hen onderdrukken. Inderdaad verwerft hij een tijdelijke lotsverbetering, maar alleen voor de mensen van zijn eigen wijk. De fijnbesnaarde timmermanszoon Rifa's is vooral geïnteresseerd in duiveluitdrijvingen en genezingen. In de steeg van de Gabalieten wordt hij niet getolereerd, maar daarbuiten krijgt hij veel aanhang, al zijn zijn discipelen van bedenkelijk allooi. De machthebbers, die hem bedreigend vinden, lokken hem naar de woestijn en doden hem. Zijn lichaam, dat nooit wordt teruggevonden, zou op last van Gabalawi naar het grote huis zijn overgebracht. Na zijn dood nemen de discipelen de macht over in zijn wijk – wat Rifa's nooit gewild had. Kasim is Mohammed, een militante populaire leidersfiguur, die wel degelijk streeft naar macht, maar ook naar sociale gerechtigheid, niet alleen voor zijn eigen mensen, maar voor de bewoners van alle wijken.

Door de eeuwen heen vertellen de bewoners van de wijken elkaar de verhalen over Gabalawi, diens nakomelingen en de vroegere bevrijders. Deze verhalen klinken als de volksverhalen die vroeger in de koffiehuizen van Caïro werden voorgedragen. Voor Mahfoez spreekt het vanzelf dat de geschiedenis alleen maar fragmentarisch en mythologisch over te brengen is, en dat iedere verteller met een andere versie van het verhaal komt.

In dit boek treedt dus een sterk op Allah gelijkende oude heer op, die weliswaar het woord barmhartigheid in zijn vaandel voert, maar beloont en straft wie hij wil. Bovendien gedraagt de oude baas zich weinig soeverein: hij sterft uiteindelijk van schrik. God was geen prettig heerschap, en nu is hij dood. Deze boodschap bracht de islamitische autoriteiten onvermijdelijk tot razernij.

Gabalawi gaat echter niet alleen over de godsidee, maar ook over het sociale onrecht. De wijkbewoners leven in afzichtelijke armoede, omdat zij van hun aandeel in het erfgoed worden beroofd door machtswellustelingen en corrupte beheerders. De bevrijders brengen tijdelijk verbetering, maar daarna treedt het verval weer in.

Misschien lijkt het tegenstrijdig om via een mystieke ervaring tot een zo krachtdadige afrekening met de godsdienst te komen. Maar bij nader inzien hebben vele mystieken, ook christelijke, moeten bemerken dat hun eenheidservaring niet veel te maken had met de kant en klare religie waarin zij waren opgegroeid. Mahfoez is geen atheïst geworden. Al doorzag hij de futiliteit van de bestaande religies, hij is moslim gebleven, zij het op een manier waarvan traditionele godgeleerden niets begrijpen. Hij moest zichzelf eerst van alle ballast bevrijden om na jaren als verlichte in de wereld terug te keren. De nieuwste religie, de wetenschap, is in zijn ogen ook twijfelachtig; toch is daarvan voor de toekomst nog het meest te verwachten.

Kinderen van Gabalawi is een ernstig boek. Toch moet de auteur af en toe een boosaardig plezier hebben gehad, bijvoorbeeld als hij de gasten op de bruiloft van Kasim stevig laat drinken en joints laat roken, en als hij diens eerste volgelingen afschildert als de bezoekers van een soort sportschool met de trekken van een gang. Zo grappig is deze dikke roman helaas niet overal. Het begin en het eind zijn spannend, maar de middendelen zijn soms een corvee om te lezen. Een voorwaarde voor ieder leesgenot is enige kennis van de Bijbel, de Koran en de biografie van Mohammed. De auteur weet overtuigend een coherente en rijk ingevulde wereld neer te zetten. Geen wonder, want deze wereld is niets anders dan zijn geliefde Oud-Caïro, zij het in een wat vervreemde, voorindustriële setting. Actie is er volop, en met intriges en vechtpartijen weet de schrijver goed raad. Aan de spanning wordt echter vaak afbreuk gedaan doordat de gebeurtenissen met geweld in de mal van de gewijde overlevering worden geperst. De grootste zwakte is de schimmigheid van de personages. Zij blijven, naar hun allegorische aard, lege hulzen die verwijzen naar iemand of iets anders, dragers van boodschappen zonder een eigen karakter.

Maar dit boek lees je niet om zijn buitengewone literaire kwaliteit, maar om de plaats die het inneemt in het werk van Mahfoez, de Nobelprijswinnaar van 1988. En natuurlijk omdat het in de Arabische literatuurgeschiedenis tot heden een unicum is: een ontmaskering van de gevestigde religie.

Nagieb Mahfoez: Kinderen van Gabalawi. Uit het Arabisch vertaald door Richard van Leeuwen en Djûke Poppinga. De Geus, 608 blz. ƒ59,90

Buitenlandse literatuur