Een felicitatie

Ter ere van Rem Koolhaas, die de Pritzker Architectuur Prijs 2000 – de Nobelprijs voor architecten – heeft gewonnen, ben ik naar Coney Island gegaan. Het was op een vroege ochtend, het soort weer dat Edgar Allan Poe beschrijft in de eerste zin van The Fall of the House of Usher. Daar was het avond en herfst, op een eenzame vlakte; hier voorjaar, maar dat maakte geen verschil. Er wordt een klem van verlatenheid om je ziel gesloten. De subway was propvol met zwijgende mensen die geen zin hadden om naar hun werk te gaan. Bij Wall Street gingen de meesten eruit, en de rest op het grote station van Atlantic Avenue. Ik stapte over op de N-trein, was terechtgekomen in een rijtuig dat ik deelde met een vrijend paar van een jaar of veertien. Ze vlogen elkaar zo hartstochtelijk aan dat het petje van de jongen op de grond viel. Bij het uitstappen bleven ze elkaar stevig vasthouden. Het petje bleef achter.

Het laatste deel van het traject, een stuk of zes stations, gaat boven de grond, over een roestig viaduct. Links en rechts het onafzienbaar terrain vague van de metropool. Onherbergzamer stadsgebied dan dit ken ik niet. Hoe hebben de mensen het zo bij elkaar kunnen smijten: de uitzichtloze huizen, verlaten fabrieken, een autokerkhof, roest, vuilnis, wrakken van alles wat de industriële beschaving de laatste halve eeuw heeft voortgebracht, geen muur zonder graffiti, dode bomen, en daarboven nog altijd de wolkenlucht zoals beschreven door E.A.Poe. In één woord: adembenemend. Dan komt het eindpunt: Stillwell Avenue. Voor de liefhebber ook een omweg waard. Het valt me mee dat het nog nooit als decor voor de finale afrekening in een gangsterfilm is gebruikt.

Het had ook een schilderij van Edward Hopper kunnen zijn. Maar ik dwaal af. Ik was op weg naar de Roller Coaster, de achtbaan genaamd Thunderbolt, op Coney Island. Ter ere van Rem Koolhaas.

Altijd weer is het een verrassing. Je steekt de brede avenue over, waar alle lang vergane glorie met rolluiken is gepantserd, slaat de hoek om, en dan, van de ene kwart seconde op de andere beheerst dit kolossaal staketsel je netvlies. Bizar is een zwak woord. Het is een bedenksel van een brein dat al doende zelf het contact met de aarde had verloren. Krankzinnig, maar dan niet in de psychologische betekenis. Een constructie uit een belevenis die het midden houdt tussen een droom en een nachtmerrie. 't Is niet waar! denk je telkens weer op het eerste gezicht, zelfs al ben je erop voorbereid.

Die indruk – ik vind het meer een eersteklas visuele sensatie – wordt versterkt doordat de machine uit iedere winter gehavender tevoorschijn komt. Al jaren is de Thunderbolt niet meer in gebruik. Op de rails groeit gras en zelfs struikgewas, het ijzer van de constructie is roodbruin geroest, het hout in onherstelbare staat van verrotting, de loodsen met de hulpwerktuigen zakken in elkaar, het huisje van de kaartverkoop is op het fundament na verdwenen. Het verticale bord met de naam, eens in neon, nu zwaar bepokt met roest, hangt nog op zijn plaats.

Voor het eerst ben ik daar gaan kijken, een jaar of twintig geleden, op advies van Rem Koolhaas. Ik had zijn Delirious New York, A Retroactive Manifesto for Manhattan gelezen. Na deze excursie, nu, heb ik het herlezen. In het tweede hoofdstuk, over `de technologie van het fantastische' vertelt hij de geschiedenis van Coney Island. En voor ik verder ga, Koolhaas is niet alleen een groot architect; ook een meeslepend essayist. In dit hoofdstuk beschrijft en verklaart hij de oorsprong van wat we nu `entertainment' noemen. Met onze verworvenheden van de elektronica, de ontwikkeling van het virtuele, het interactieve en wat je verder hebt, zijn we geneigd te denken dat de echte pret pas bij Bill Gates en in Silicon Valley is begonnen. Aan het einde van de eervorige eeuw kon je op Coney Island al in een treintje gaan zitten, dat tot op het laatste ogenblik tegen een ander treintje leek aan te botsen. Je kon de verwoesting van Pompeï beleven, de aardbeving van San Francisco, het afbranden van Rome en Moskou, en nog het een en ander aan historische rampen. Aan het einde van Coney Island's bloeitijd, in 1911, brandt Dreamland zelf werkelijk af, binnen drie uur. In het boek staat een foto van de verkoolde vlakte, met hoog oprijzend aan de horizon, het geraamte van de Roller Coaster.

Daarna is dit eerste keizerrijk van het entertainment weer opgebouwd, en opnieuw in verval geraakt. Zo ver is het nu. De foto uit 1911 lijkt veel op wat je in 2000 ziet.

In 1906 heeft Maksim Gorki een reis naar Amerika gemaakt. Hij kreeg heimwee. Om hem op te vrolijken namen zijn Amerikaanse vrienden hem mee naar Coney Island. Het resultaat daarvan is een essay, getiteld Verveling. Koolhaas heeft zijn hoofdstuk over Coney Island een paar motto's meegegeven. Eén daarvan is van Gorki: `Hell is very badly done'. Maar de ruïne van deze, door mensen gemaakte hel is prachtig, vooral onder een lage regenlucht.