De tragiek van Congo

Je kunt geen grondstof bedenken of ze is in Congo te vinden. De tragiek is dat die overvloed altijd gelukzoekers en profiteurs heeft aangetrokken en de bevolking er nooit van profiteerde. President Kabila trof bij zijn machtsovername in 1997 een failliet, corrupt en onveilig land aan. Door de oorlog is de economie nu vrijwel tot stilstand gekomen, terwijl de inflatie giert. IMF en Wereldbank laten het afweten, net als het internationale bedrijfsleven en de `vrienden van Congo'.

Je hebt van die landen waar niks wil groeien, hoe nijver de mensen hun grond ook bewerken. Van die landen die telkens weer door droogte of overstromingen worden getroffen. Geboren verliezers zijn het, die door ligging, klimaat, natuur tot eeuwige armoe zijn veroordeeld. Waar je geen delfstoffen zult vinden, hoe diep je ook graaft.

Maar de Democratische Republiek Congo is anders dan de meeste Afrikaanse landen. Congo baadt in overvloed. Het land dat Nederland zestig keer zou kunnen bevatten, is rijk aan vruchtbare landbouwgronden. Congo zou niet alleen de eigen vijftig miljoen bewoners royaal kunnen voeden met rijst, maïs, aardnoten, bananen en cassave. Het zou ook grote hoeveelheden voedsel naar de omliggende landen kunnen exporteren, én koffie, palmolie, hout, rubber, katoen, cacao en suiker kunnen verkopen op de wereldmarkt.

En dan hebben we het nog niet eens over de bodemschatten die in het land voor het opscheppen liggen. Koper, kobalt, cadmium, zink, goud, mangaan, zilver, germanium, wolfraam, diamanten. Je kunt geen grondstof bedenken of ze is in Congo te vinden. Vijfentwintig jaar werd er voor het kleine stukje kust ook nog eens olie gevonden, in de monding van de Congo. Die rivier alleen al is een bron van rijkdom als leverancier van waterkracht.

Maar de afgelopen honderd jaar is die overvloed eerder een plaag dan een zegen voor het land geweest. Hij lokte de Belgen die Congo als wingewest gebruikten. Hij wekte de hebzucht van president Mobutu Sese Seko, die zijn natie volgens de Financial Times tussen 1965 en 1997 van zeven miljard dollar beroofde. En de burgeroorlog die het land al ruim anderhalf jaar in zijn greep heeft, gaat niet alleen om de politieke macht, ook om de economische controle. De tragiek is dat het land altijd gelukzoekers en profiteurs heeft aangetrokken. Zij verhinderden dat de potentiële rijkdom van het land ooit ten volle uitgebaat kon worden. De bevolking heeft er nooit van geprofiteerd.

Een stad op de grens van Angola en de Democratische Republiek Congo. Matadi. Dat betekent `steen' in het Kikongo, de hoofdtaal in deze provincie Beneden-Congo. Een stad van stenen die de warmte overdag opzuigen als sponzen. Nooit wordt het koel in Matadi. 's Avonds ademen de stenen de hitte weer uit.

Ooit was deze stad van roodbruine wegen en roestbruine daken, door groene heuvels omgeven, een drukke haven. Zeeschepen voeren af en aan om te laden of te lossen. De haven zorgde voor werk en bedrijvigheid.

Tegenwoordig liggen er nooit meer dan twee, drie schepen tegelijkertijd langs de kade. Soms helemaal geen. De verouderde kranen staan werkeloos te roesten, terwijl transportbedrijven klagen over gebrek aan lading. In de haven ruikt het naar verval.

En in het verderop gelegen Boma, die andere zeehaven van Congo, is het al niet anders. Tussen 1926 en 1989 werd er jaarlijks gemiddeld meer dan 800.000 ton verscheept tussen Antwerpen, Boma en Matadi. In de nadagen van Mobutu, toen de economie volledig vastliep, daalde die toevloed tot 70.000 ton. Sinds president Laurent Kabila drie jaar geleden aan de macht kwam, is die stroom alleen maar verder teruggelopen. Achterstallig onderhoud van de havens en hoge tarieven hebben een deel van het scheepsverkeer naar Pointe-Noire in het buurland Congo verjaagd.

Er zijn wel plannen om het maritiem vervoer nieuw leven in te blazen. Grootse plannen in Beneden-Congo genoeg. Rijd maar mee van Matadi naar Boma. En luister naar prof. Anselme Mbenza Muaka, de kabinetschef van de gouverneur in Beneden-Congo. Hij wijst op de onbewerkte landbouwgronden, waar onafzienbare maïsvelden kunnen komen, op de dichtbegroeide bossen, waar de bomen klaar staan voor de kap. Hij toont de koloniale residentie van de Belgische gouverneurs uit de tijd dat Boma nog de hoofdstad was van Congo. De eerste kathedraal van het land, door de Belgen opgetrokken in ijzer. De Baobab-boom waarin de Britse ontdekkingsreiziger Stanley nog overnacht heeft toen hij Congo verkende in opdracht van de Belgische vorst. Prachtige attracties voor buitenlandse toeristen, dagdroomt de kabinetschef. Wacht maar tot de residentie is omgetoverd tot museum, en de woestenij er omheen tot botanische tuin.

Hij sleept je mee naar de monumentale waterkrachtcentrales van Inga, waar de Congo, de op één na langste rivier op aarde, de schoonste en goedkoopste elektriciteit levert van de wereld. Met hun gezamenlijke capaciteit van 2.770 Megawatt kunnen Inga 1 en Inga 2 de nationale stroombehoefte twee keer dekken. En dan exporteren ze ook nog naar Congo-Brazzaville, Zuid-Afrika, Zimbabwe en Angola. Heel Afrika zouden ze vanuit Inga aan elektriciteit kunnen helpen, vertelt de directeur. En de kabinetschef zegt later: ,,de hele wereld''. Er zijn plannen voor een derde centrale die drie keer de capaciteit zou hebben van de andere twee samen. En dan nog wordt het waterkrachtpotentieel van de Congo maar voor een fractie benut.

Maar wie moet al die mooie plannen ten uitvoer brengen? Niet het internationale bedrijfsleven, dat de handen niet wil branden aan een land in oorlog. En zeker niet de overheid. Gouverneur dr. Bavuidi Seraphin praat gloedvol over het stimuleren van de landbouw, over scholen bouwen en wegen repareren. Maar de provincie die vele malen groter is dan Nederland, moest vorig jaar rondkomen van tachtig miljoen Congolese francs, volgens de zwartemarkt-koers nog geen drie miljoen gulden. Dat is nauwelijks genoeg om de haperende overheidsmachine nog draaiende te houden. In het kantoor van zijn kabinetschef hangen verschoten, kapotte lappen voor de ramen. De burgemeester van Boma verhuurt de historische gouverneursresidentie aan een vriendin omdat hij niet kan rondkomen van zijn loon.

De nationale overheid kampt ook al met een chronisch geldtekort. Oorlog voeren tegen Rwanda, Oeganda en de rebellen is kostbaar. Bondgenoten Zimbabwe, Angola en Namibië steunen de Congolese president Kabila niet uit liefdadigheid. Een ingenieur bij de waterkrachtcentrales van Inga vertelt dat de regering geen geld meer heeft voor revisie van de machines. Dat is extra riskant omdat Inga door de oorlog en de economische malaise maar op veertig procent van zijn capaciteit draait. En hoe minder een installatie optimaal gebruikt wordt, hoe meer ze te lijden heeft.

De regering van president Kabila heeft het in de drie jaar dat ze aan het bewind is, nooit gemakkelijk gehad. Ze erfde een land waar veldmaarschalk Mobutu 32 jaar lang roofbouw gepleegd had. Failliet, corrupt, onveilig en zonder de meest primaire infrastructuur. Zeeland telt meer behoorlijke, geasfalteerde wegen dan heel Congo dat zo groot als West-Europa is.

In de nadagen van Mobutu, tussen 1990 en 1996, slonk de Congolese economie jaarlijks met gemiddeld 6,6 procent. De inflatie in die periode was gemiddeld 2.477 procent per jaar. De buitenlandse schuld bedroeg in 1997 15 miljard dollar, en zowel het Internationaal Monetair Fonds als de Wereldbank hadden zich al jaren tevoren van Congo afgekeerd.

Dat was de hopeloze uitgangspositie waarmee Kabila zich bij zijn machtsovername in mei 1997 zag geconfronteerd. En al binnen enkele maanden gaf hij een aanzet tot verbetering. Hij bestreed de corruptie en vergrootte de veiligheid. De inflatie bracht hij in 1997 terug tot 13,7 procent. Ook kwam hij met een driejarenplan voor de economische wederopbouw, waarmee een bedrag van 1,68 miljard dollar was gemoeid.

Maar zonder buitenlandse hulp was die reconstructie tot mislukken gedoemd. Allerlei landen en organisaties beloofden eind 1997 op een bijeenkomst in Brussel wel dat ze de Afrikaanse reus op lemen voeten zouden steunen. `Amis de Congo' noemden ze zich. Maar in juni 1998 hadden ze samen nog geen 100 miljoen dollar bij elkaar gesprokkeld. En waar de Gentse economen Jef Maton en Annelies Van Bauwel al voor hadden gewaarschuwd, gebeurde: ,,Als hulp te lang uitblijft, zakt de regering weg in het moeras.'' De economische nekslag kreeg het bewind toen Rwanda en Oeganda het land in augustus 1998 binnenvielen, gesteund door rebellen. Al twintig maanden is het land in een kostbare oorlog verwikkeld. Al twintig maanden is het land in tweeën gedeeld.

De regering in Kinshasa probeerde wanhopig om de vrije val te keren. Geconfronteerd met een groeiend begrotingstekort, stijgende prijzen en een Congolese franc die snel in waarde daalde, wist ze niets beters te doen dan de handel in buitenlandse valuta te verbieden. De officiële wisselkoers van de Congolese munt stelde ze vast op een kwart van de werkelijke waarde: vierenhalve franc voor één Amerikaanse dollar. Begin dit jaar halveerde ze die koers weliswaar tot negen franc voor een dollar. Maar op de zwarte markt van de hoofdstad kreeg je voor een dollar vorige week al 36 francs.

Tegelijkertijd joeg de regering de geldontwaarding vorig jaar zelf op door meer dan twee keer zoveel uit te geven dan er binnenkwam. Het verschil van 2,8 miljard Congolese francs paste ze grotendeels bij door nieuwe bankbiljetten te laten drukken. Door het instellen van maximumprijzen voor basisgoederen probeerde ze de uitholling van de koopkracht te beteugelen.

Prof. Tshiunza Mbiye, hoogleraar economie aan de universiteit van Kinshasa, noemt dat economisch beleid ronduit ,,suïcidaal''. Hij trekt de goede bedoelingen van de regering niet in twijfel. Maar volgens hem hebben de maatregelen die waren bedoeld om de waarde van de franc te stabiliseren en de inflatie te beteugelen, alleen maar averechts gewerkt. De geldontwaarding die in 1998 weer was opgelaaid tot 135 procent, schoot vorig jaar omhoog tot 484 procent. Het verbod op de handel in dollars, gekoppeld aan de vaste, kunstmatig hoge wisselkoers voor de Congolese franc, werkte fraude in de hand. Handelaren in diamanten namen massaal hun toevlucht tot smokkel. De officiële uitvoer van edelstenen is vorig jaar met bijna de helft gedaald.

Anno 2000 is de economie van de Democratische Republiek Congo vrijwel tot stilstand gekomen. De meeste van de weinige resterende productiebedrijven hebben de poorten gesloten. De overheid kan de karige lonen van veel ambtenaren niet meer betalen. Alleen de informele handel gedijt. Congo potverteert.

,,Ons land snakt naar vrede'', zegt prof. Anselme Mbenza Muaka, de kabinetschef van de gouverneur in Beneden-Congo. ,,Zonder vrede geen economisch herstel.'' Een staakt-het-vuren dat vorige week opnieuw werd bekrachtigd, moet het keerpunt vormen. Maar voordat de onbeperkte, economische mogelijkheden van het land ten volle benut kunnen worden, is nog een lange weg te gaan.