De schat van Paascheiland

Toen Eduard en Erica op hun Paaschbest aangekleed beneden kwamen, stond de tafel voor het Paaschontbijt al gedekt. Het servies van Oma, het koetje van roomboter (een takje peterselie in zijn bek), de gevlochten broodjes, de groote Paaschstol met de geconfijte vruchtjes en de poedersuiker – alles stond klaar op het fraaie Paaschkleed dat oma zelf geborduurd had. Alleen de zilveren eierdopjes waren nog leeg. Zoo als elk jaar moesten Eduard en Erica de eieren zoeken, voor het Paaschontbijt beginnen kon. ,,Nogal afgezaagd'', vonden Eduard (die al vijftien) en Erica (die een jaar jonger was). Maar Vader en Moeder hechtten erg aan familietraditie.

,,We doen alsof'', fluisterde Erica. ,,Anders is het zoo sneu. Des te eerder kunnen we aan tafel.'' Eduard haalde zijn schouders op. ,,Voor hun plezier dan.''

Erica liep naar de porceleinkast, waar ze wist dat de eieren niet waren.

,,Koud!'' lachte Moeder. Erica drentelde zoekend naar de pendule op de schoorsteen en haalde daar, zoo als elk jaar, het eerste ei achter vandaan. Eduard liep door de serre, tastend naar de koperen plantenbak. ,,Lauw!'' glunderde Vader. ,,Au, ik verschroei!'' riep Eduard toen hij bij het dressoir kwam. Hij vond het tweede ei tusschen de vingerdoekjes.

,,De belhamel. Hij wist 't nog van vorig jaar'', glimlachte Moeder. Maar Vader had weer die weemoedige trek om zijn mond, die hij altijd kreeg tijdens het Paaschritueel.

,,Volgende ei. In – de tuin, misschien?'' opperde Eduard vroolijk.

,,Koud'', zei Moeder. Allen barstten in lachen uit. Koud! Inderdaad! Het was zoo een gure Paaschzondag, dat de prilgroene heesters stonden te huiveren in de tuin en de crocussen liefst terug in hun schulp waren gekropen. ,,Gelukkig'', mompelde Eduard. ,,Dat scheelt weer dat domme gegraaf onder de heesters.''

,,Ssst'', suste Erica. ,,Maar als ze niet onder de heesters liggen'', peinsde ze hardop, ,,waar dan wel?''

,,In de vestibule'', zei Eduard. En ja hoor. Het derde ei werd uit de parapluie-standaard gevischt; kort daarop het vierde uit de chiffonnière.

,,Nu kunnen we toch heusch aan tafel!'' zei Eduard. Vader keek nadenkend, alsof hij nog op iets wachtte. ,,Of zijn er nog meer eieren?'' Eduard gaapte verstolen achter zijn hand.

Vader keek naar Moeder. ,,Zullen we het dan maar vertellen?''

Moeder knikte. ,,Ze zijn nu immers groot genoeg.''

,,Er waren meer eieren'', begon Vader. En vervolgde, met horten en stooten, zijn relaas. ,,Op Paaschmorgen, meer dan twintig jaar geleden, in ditzelfde huis, had Opa, net als vandaag, eieren voor ons verstopt. Ik was een knaap van vijftien; tante Cecilia en oom Bastiaan waren nog kleiner. Die Paaschochtend, nog voor het zoeken begon, is Opa plotseling gestorven. De eieren zijn nooit gevonden.''

,,Oma heeft er tot haar dood toe naar gezocht. Op haar sterfbed heeft ze Vader verklapt, dat met die eieren ook een schat is verloren gegaan'', vulde Moeder aan. ,,Natuurlijk hoopt Vader elke Paschen weer, dat de eieren alsnog zullen opduiken.''

,,Wat hebben Paascheieren met een schat te maken?'' vroeg Eduard.

,,Opa fluisterde nog, dat hij iets ontdekt had op een van zijn reizen'', zei Vader. ,,En dat hij dat ook verborgen had.''

,,Gouden eieren zeker'', grapte Eduard. Toen viel het stil. Allen dachten aan hetzelfde. Hun mooie huis, hun heerlijke tuin – hoe lang nog, nu Vaders zaken zoo heel slecht gingen? Moeder had al sieraden verkocht. De schilderijen waren getaxeerd. Straks moesten ze het huis nog verkopen! Wat zouden een paar gouden eieren nu een uitkomst zijn!

,,Even mijn haar opdoffen'', zei Erica, en glipte ongezien naar boven.

,,Even mijn handen wasschen'', mompelde Eduard, en daalde af naar de wijnkelder. Hij zocht tusschen stoffige flesschen, oude kranten en automobiel-onderdelen van oom Bastiaan, die graag knutselde; terwijl Erica niet heur haren uitkamde, maar de logeerkamer, en de linnenkasten, en de naaimand die nog van oma is geweest. Niets.

Ze troffen elkaar op zolder, waar ze elke balk, elk hoekje, elke mogelijke bergplaats kenden, zoo dikwijls hadden ze er gespeeld.

,,De verkleedkist'', opperde Erica. Die hadden ze vroeger zo vaak overhoop gehaald. Toch openden ze hem, voor het eerst sinds jaren. De geur van mottenballen sloeg hun tegemoet. Kleren, hoeden, schoenen. Maar ook een oude weitasch, nooit gebruikt bij hun verkleedpartijen, omdat hij zoo stijf was geworden en onder het stof zat. Erica trok hem tussen de kleren vandaan. De gespen gaven niet mee, maar met vereende krachten kregen ze ze open. Leeg! Of nee... toch niet. Een kreukelig pakje! Voorzichtig vouwden ze het open, en vonden... Paascheieren! Een rood, een groen, een blauw, een geel...

,,Geen gouden eieren'', zei Eduard teleurgesteld.

,,Maar wel een kaart!'' riep Erica uit. ,,Vader zei toch dat opa iets ontdekt had? Die driehoekige vorm... mmm...''

,,Kijk, een kruisje! Daar moet Opa's schat verborgen zijn.''

,,Wis en waarachtig!'' Ineens slaakte Erica een kreet van herkenning. ,,Natuurlijk! Paascheiland! Ontdekt door Jacob Roggeveen, in 1722, op eerste Paaschdag... vandaar de naam! Ik heb er pas nog over gelezen in de courant. Er zijn honderden metershoge beelden gevonden, met lange oren, allemaal met hun rug naar de zee.''

,,Wat voor beelden?'' vroeg Eduard.

,,Voorouderbeelden'', zei Erica. ,,Ze wegen tonnen. Ze moeten op sleden van boomstammen zijn vervoerd en met touwladders voortgetrokken. Begin deze eeuw is er een expeditie heen gegaan. Wie weet was opa daarbij! Dat wordt Paascheiland, deze vacantie!''

Ze stormden met hun vondst naar beneden. Vader en Moeder zaten gespannen te wachten. Ze sloegen de handen ineen. Zoo werd Paschen nog een heusch feest. En nooit zouden Eduard en Erica meer klagen dat ze te oud waren om eieren te zoeken.