Britten schuldig aan drama op leven en dood in Zimbabwe

Landbezettingen en geweld tegen blanke eigenaren zijn aan de orde van de dag in Zimbabwe. Daarbij zijn tot nu toe zes mensen, onder wie twee blanke boeren, gedood. De kiem van het probleem werd gelegd tijdens onderhandelingen over de onafhankelijkheid, vindt Jonathan Power.

We vergeten snel, en ál te gemakkelijk. Deze menselijke zwakte, die niet om huidskleur maalt, wordt op tragische wijze geïllustreerd door het drama op leven en dood dat thans in Zimbabwe wordt opgevoerd.

Bijna vijfendertig jaar geleden verklaarde het toenmalige Rhodesië, een Britse kolonie geregeerd door een blanke minderheid, zich eenzijdig onafhankelijk. De breuk met het moederland kwam na langdurig en bitter verzet tegen druk uit Londen om het kiesrecht enigszins te verbreden. Veertien jaar lang was Rhodesië een internationaal paria-land, geboycot op last van de VN-Veiligheidsraad, dat echter het embargo wist te omzeilen. Zelfs de grote Britse oliemaatschappijen Shell en BP doorbraken eendrachtig de sancties onder de zo niet welwillende dan toch oogluikende blikken van de Britse Labourregering.

Dat was de eerste grote fout van Londen: de Afrikanen te dwingen hun zaak in een guerrilla-oorlog te bevechten bij gebrek aan druk op andere fronten. Onder leiding van Robert Mugabe, thans premier van Zimbabwe, wisten de guerrillastrijders de blanke regering zozeer te verzwakken dat die naar de onderhandelingstafel kwam. Zowel Londen als Washington was voor een compromis met minder militante zwarte leiders dan de verklaarde marxist Mugabe. Maar zoals gewoonlijk had een aanvankelijk tekort aan Britse en Amerikaanse bemoeienis tot gevolg dat de militanten de beste kaarten hadden, niet alleen op het slagveld maar ook gemeten naar electorale aanhang. Nadat de blanken de macht die zij zich tijdelijk hadden toegeëigend aan Londen hadden geretourneerd, en nadat er vrije verkiezingen waren gehouden, had de partij van Mugabe het voor het zeggen.

De opstap naar het zwarte zelfbestuur was de grondwetgevende conferentie gehouden in Lancaster House te Londen. Een van de hete hangijzers daarbij was het grondbezit. Toen ik Mugabe destijds vroeg wat voor zijn partij de belangrijkste kwestie was, antwoordde hij: ,,Land, land, land, land, land.'' Maar de Britten werden ingetoomd door de eigen publieke opinie. De regering kon zich niet veroorloven zomaar heel Rhodesië met alles erop en eraan – hetgeen betekende de zeer productieve bedrijven van blanke boeren – aan de zwarte opstandelingen weg te geven. Dus hielden de Britten zich tijdens de conferentie op de vlakte, en zeiden dat ze weliswaar een verstandige landhervorming voorstonden, maar niet konden zeggen hoeveel geld ze zouden reserveren om de blanke boeren uit te kopen. De Amerikanen, die onder Jimmy Carter actief met de Britten hadden samengewerkt om een oplossing voor het conflict te vinden, zeiden nog minder. ,,We zouden het Congres niet zover krijgen gelden voor landhervorming te voteren wanneer dat betekent dat blanke boeren de kous op de kop krijgen,'' zei de Amerikaanse ambassadeur bij de VN Andrew Young destijds tegen me.

Niettemin, zo dacht ik ietwat naïef, zou het nieuwe Zimbabwe na de verkiezingen, wanneer de onafhankelijkheid officieel was verleend, de landhervorming wel dadelijk en voortvarend ter hand nemen, ook al moest het daarvoor geld lenen bij de Wereldbank of om hulp vragen aan een bereidwillig Scandinavië. De feiten spraken voor zich. Toen het land onafhankelijk werd, produceerde een kwart van de blanke boeren driekwart van wat op `blanke' landbouwgrond werd voortgebracht. De andere blanke boerenbedrijven, zo tekende Mugabe zelf terecht aan, ,,waren verlaten, lagen deels braak of werden beheerd in afwezigheid van de eigenaar.'' Als deze 75 procent van de grond in Europees eigendom zou worden aangekocht, zo concludeerden Duitse onderzoekers, dan zou de Afrikaanse agrarische bevolking voldoende eigen grond kunnen krijgen.

Maar Mugabe's nieuwe regering toonde een schreeuwend gebrek aan initiatief. Mugabe leek zijn belangstelling voor de kwestie te hebben verloren. Enkele maanden na de onafhankelijkheid onmoette ik een oude kennis, Bernard Chidzero, de Zimbabweaanse minister van Financiën. ,,Hoe staat het met de landhervorming? Wat zijn jullie plannen?'' vroeg ik. ,,Voorlopig gebeurt er niets,'' antwoordde hij. ,,Het staat niet op ons prioriteitenlijstje.''

Ik kon mijn oren niet geloven, al begreep ik wel dat er een oppervlakkige logica in school. De blanke boeren hielden met hun tabak- en fruitexport de handelsbalans in de zwarte cijfers. Met hun graan en groenten voedden ze de bevolking van de steden. Bovendien, en dat sneed nog het meeste hout, viel er veel te verbeteren aan de productiviteit van de miljoenen kleine boeren die wél een lapje grond bezaten. Qua ligging en bodemkwaliteit waren hun bedrijfjes weliswaar inferieur, maar ze wisten ook niets van moderne wetenschappelijke landbouwmethoden. Onder krachtige aansporing van het ministerie van Landbouw, dat werd geleid door een welwillende, energieke blanke ex-boer, schoot de productie omhoog. Maar na verloop van tijd raakte, zoals zo vaak in Zimbabwe, de vaart eruit. De machthebbers raakten de weg kwijt. Hun hervormings-elan, aanvankelijk korte tijd marxistisch, later kapitalistisch-liberaal-pragmatisch, ontaardde in een ouderwetse socialistische staatsdictatuur met een sterk gecentraliseerd politiek gezag.

De machtsoverdracht in Zuid-Afrika, die voor Zimbabwe bevrijdend had moeten werken, leek door Mugabe als een persoonlijke uitdaging te worden opgevat. Hij zag met lede ogen aan hoe de schijnwerpers van de zwarte emancipatie zich van hem naar Nelson Mandela verplaatsten. Mugabe leek er persoonlijk behagen in te scheppen tegen Zuid-Afrika in te gaan. Dat bleek uit Mugabes dwaze militaire escapade in de Congolese oorlog, die het land naar het bankroet voerde en een toch al problematisch conflict alleen maar verder compliceerde – en dat alles, zo scheen het, opdat lieden in de onmiddellijke omgeving van Mugabe hun bankrekening konden spekken met diamanthandel en financiële transacties in Congo.

Het plotselinge oplaaien van de landhervormingskwestie in Zimbabwe komt uit dezelfde koker. Het beetje landhervorming dat er tot dusver is geweest, heeft alleen maar productieve blanke grond in handen gespeeld van Mugabe's rijke vrienden en jaknikkers. Maar nu is Mugabe dit wanhoopsoffensief begonnen, in de hoop dat hem dat in mei de verkiezingsoverwinning zal opleveren. In strijd met gerechtelijke vonnissen heeft hij zijn oude strijders aangemoedigd om 700 boerenbedrijven van blanke eigenaren te bezetten, en beloofd dat hij deze zonder schadeloosstelling zal onteigenen als hij daarvoor geen geld van Londen krijgt.

Bij uitzondering en op het laatste moment probeert de Britse regering nu de eer aan zichzelf te houden. Als de verkiezingen eerlijk verlopen, aldus de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Robin Cook, zal Londen een ordelijke, eerlijke herverdeling van landbouwgrond helpen financieren. (In de loop van de jaren heeft de Britse regering al bescheiden bedragen voor landhervorming geschonken; maar ze is daarmee opgehouden in 1992, onder beschuldigingen van wanbeheer en corruptie.)

Helaas zou deze belofte wel eens te laat kunnen komen. Groot-Brittannië heeft namelijk zelf bijgedragen tot het huidige tumult door niet al twintig jaar geleden met substantiële bedragen voor landhervorming over de brug te komen – de tweede ernstige Britse fout. Nu kan niemand er zeker van zijn dat Mugabe gelden die hij eventueel krijgt ook inderdaad zal uitgeven aan de mensen die het echt verdienen. Dat is de tragiek van het huidige Zimbabwe.

Jonathan Power is publicist.