Balans van een zwarte bladzijde

In 1596 arriveerde te Middelburg een door de Nederlanders buitgemaakt Portugees schip met 130 Afrikaanse slaven aan boord. Het stadsbestuur besloot ze in vrijheid te stellen. Nog geen 25 jaar later leverde een Nederlands schip de eerste Afrikaanse slaven af in het Amerikaanse Virginia. Het was het begin van de Nederlandse slavenhandel en slavernij, die tot in de negentiende eeuw zouden voortduren.

In het nieuwste boek van de Leidse hoogleraar geschiedenis Pieter Emmer, De Nederlandse slavenhandel, staat de Nederlandse betrokkenheid bij deze Atlantische handel centraal. De resultaten van het onderzoek dat hij al ruim 25 jaar doet, passeren in gecomprimeerde vorm de revue. Emmer hoopt met dit boek ook geïnteresseerde leken te bereiken en eindelijk eens de `historische werkelijkheid' te laten zien. Hij doet dat deels door een objectiverende benadering van de historische bronnen, deels door de Atlantische slavenhandel in economicis te vergelijken met de holocaust. Dit laatste als reactie op het `zwarte-holocaustdenken' dat in Amerika opgang heeft gemaakt.

Emmers doel is te laten zien dat slavenhandel en slavernij historisch gezien begrijpelijker en `gewoner' waren dan wij denken. Hiermee schaart hij zich onder de historici die pleiten voor een rationele benadering van een met emoties doordrenkt onderwerp. Een meer `emotionele' historiografie zou de geschiedenis verdraaien omdat er een politieke agenda achter zou schuilgaan: pleidooien voor herdenkingen en monumenten worden door Emmer dan ook beschouwd als morele uitingen, die niet-wetenschappelijk, niet-rationeel en niet zelden bezijden de `historische werkelijkheid' zijn.

Boekhouding

Voor de Nederlandse slavenhandel en slavernij bestond lang slechts incidentele aandacht. Voorlopers zijn Surinaamse auteurs die vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw aandacht besteedden aan de manier waarop de slavernij Suriname `gevormd' had. Het duurde tot de jaren zestig voor Nederlandse historici zich gingen interesseren voor het onderwerp. Emmer staat in een traditie die met de economisch-historicus W.S. Unger begon. Hij beet het spits af met twee artikelen over de Nederlandse slavenhandel, die veel cijfermatig materiaal bevatten. Eén ervan ging over de 18de-eeuwse Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC), een van de grootste slavenhalers in de achttiende eeuw. Van de MCC is de boekhouding bewaard gebleven, een bron die Emmer veelvuldig gebruikt. Het Nederlandse aandeel in de slavenhandel uit 1968 van A. van Dantzig is een vaak – door Emmer zelfs uitputtend – geciteerd overzichtswerk waarin ook veel kwalitatieve bronnen gebruikt zijn. In 1974 volgde het proefschrift van Emmer over de Atlantische slavenhandel in de negentiende eeuw, gevolgd door een reeks artikelen. De voorbeeldige studie van J.M. Postma, The Dutch and the Atlantic slave trade, 1600-1815 was in 1990 het voorlopige sluitstuk.

En nu is er dan Emmers eigen overzicht van de Nederlandse slavenhandel.

Emmer verhaalt over de 17de-eeuwse Nederlandse verovering van Brazilië en de Portugese handelsnederzettingen op de kust van West-Afrika. In eerste instantie was het de bedoeling de Portugese slaventransporten naar Brazilië te blokkeren. Toen grote delen van Brazilië echter in Nederlandse handen vielen, bleek het noodzakelijk de voor de suikerplantages benodigde slaven zelf te verhandelen. De West Indische Compagnie (WIC) nam hiertoe het voortouw, maar Brazilië werd een debacle. Achtereenvolgens richtte de Compagnie zich toen op de handel naar de Franse en Engelse eilanden in het Caraïbisch gebied, naar Spaans-Amerika en tenslotte op `de West': Suriname en de daaraan grenzende plantagekoloniën Berbice, Essequebo en Demerary. In 1730 raakte de WIC haar monopolie op de slavenhandel kwijt. Particuliere rederijen, met name Zeeuwse, namen nu op legale wijze deel aan de handel.

De meeste van de in de achttiende eeuw verhandelde slaven kwamen in Suriname terecht. Vanaf de jaren tachtig van die eeuw nam het aantal Nederlandse slavenvaarten van Afrika naar het West-Indisch gebied sterk af om begin negentiende eeuw een zachte dood te sterven. Onder druk van Engeland vaardigde koning Willem I in 1814 een verbod op de slavenhandel uit en op 1 juli 1863 schafte Nederland als een van de laatste staten de slavernij af.

Emmers betoog draait om de volgende vragen: Waarom deden Nederlandse slavenhandelaren en rederijen mee aan de slavenhandel en waarom konden slavenhandel en slavernij zo lang voortduren? Wat waren de baten en lasten en hoe groot was het belang van de slavenhandel voor de Nederlandse economie? In hoeverre veranderde of ontwrichtte de Atlantische slavenhandel de Afrikaanse economie en wat waren de consequenties voor de Amerika's?

Zijn conclusies komen hierop neer: in Afrika bestond al eeuwenlang slavernij. Het enige wat in de zestiende eeuw veranderde was dat slaven ook buiten Afrika terechtkwamen; tussen 1500 en 1850 zo'n 40 procent van het totale aantal. Afrikaanse slaven werden tot slaaf gemaakt en verkocht door Afrikanen, niet door Europeanen. Afrikaanse handelaren kregen een goede prijs voor hun waar en Afrika heeft geen demografische schade ondervonden van de slavenhandel.

Economische motieven

Emmer vergelijkt de gedwongen emigratie van Afrikaanse slaven met de latere emigratie van Europeanen naar de Amerika's en Australië. Zij compenseerden hun geboortecontinent net zomin als de slaven Afrika enig voordeel brachten. Nederlanders hebben in al die eeuwen maar voor vijf procent deelgenomen aan de slavenhandel; Portugal, Spanje, Denemarken, Frankrijk en Engeland namen de andere 95 procent voor hun rekening. Van de geschatte twaalf miljoen slachtoffers van de slavenhandel, kunnen er dus 600.000 op het conto van Nederlandse slavenhandelaren geschreven worden. Economisch gezien zou de slavenhandel op meerdere momenten in de zeventiende en achttiende eeuw verliesgevend zijn geweest, momenten dat alleen de winstverwachting Nederlandse reders en handelaren deed voortgaan met hun praktijken. De mens is volgens Emmer namelijk primair een economisch denkend en handelend wezen.

Emmer besteedt veel aandacht aan de economische motieven achter de behandeling van de slaven door de planters en andere slaveneigenaren en het verzet van slaven hiertegen. Het slavenverzet en de slavenopstanden worden door Emmer in feite gebagatelliseerd. Mensen passen zich immers altijd aan, en economisch gezien had het toch geen zin om een onzekere toekomst tegemoet te gaan. Waar moesten gevluchte slaven heen, waar moesten ze van leven?

Emmer is ervan overtuigd dat planters hun slaven doorgaans wel goed behandelden; ze waren zich immers bewust van de extra kosten die een slechte behandeling van hun arbeidskrachten met zich meebracht. Slaven kregen bij aankomst in de kolonie `een voedzame soep' en voldoende rust om van de reis overzee te bekomen, alvorens aan het werk te moeten.

De afgelopen jaren zijn er echter ook studies verschenen die de inherente wreedheid van het systeem aantonen en die het verzet ertegen beschrijven vanuit het eigen perspectief van de slaven. Zo was het succes van de beroemde slavenopstand in de toenmalige Franse kolonie Saint-Domingue, het latere Haïti, niet zozeer te danken aan de verdeeldheid onder de blanken, zoals Emmer suggereert, maar aan de goede organisatie en kracht van de opstandige slaven en de rol van de mulatten.

Volgens Emmer interesseerde het Nederlandse publiek zich niet voor slavenhandel en slavernij, op een handjevol dominees na, en was het verzet ertegen te verwaarlozen. Maar er is, integendeel, een lange lijst Nederlandstalige anti-slavernijgeschriften uit de achttiende eeuw. Het pleidooi voor afschaffing kreeg hier in de achttiende eeuw echter geen onmiddellijke politieke vertaling, zoals in de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk gebeurde.

Met zijn vergelijking tussen de slavenhandel en de holocaust haakt Emmer in op de door zwarte Amerikaanse auteurs geopperde overeenkomst tussen beide historische feiten. De enige gelijkenis die Emmer ziet is dat beide historische verschrikkingen `totale instituties' waren die vele miljoenen slachtoffers maakten. Beide zijn unieke historische ervaringen, waartussen geen rangorde valt aan te brengen. Maar daar houdt de overeenkomst op. De slavenhandel was bedoeld om mensen in leven te houden – ze moesten immers in de koloniën werken – terwijl de holocaust gericht was op vernietiging van levens. De efficiëntie van de nazi's verhoogde het sterftecijfer van de joden nog eens dramatisch terwijl de slaven in de koloniën het steeds beter kregen, families stichtten en met rust gelaten werden zodat ze economische activiteiten konden ontplooien.

Emmeer relativeert de slavenhandel zodoende wel. Op vrijwel elke bladzijde probeert hij de lezer ervan te overtuigen dat slavenhandel en slavernij destijds heel gewoon waren, zeker in een periode waarin allerlei groepen in de Europese samenleving in ellendige omstandigheden leefden of onheus bejegend werden. Zo wordt de slavenhandel op één lijn gesteld met de armoede, de kindersterfte, de vervolging van homoseksuelen, de behandeling van vrouwen, de wrede lijfstraffen en de uitbuiting van arbeiders. Als we ons voor deze historische misstanden achteraf niet schamen, zo redeneert Emmer, dan moeten we ook niet zo emotioneel doen over de slavenhandel.

Schuldvraag

Als we Emmers redenering volgen, waren de Atlantische slavenhandel en slavernij eigenlijk een `blessing in disguise' voor menig Afrikaan die de gedwongen overtocht maakte. Na enige aanpassing kon een slaaf voldoende vrijheid hebben om zich als producent en consument te ontplooien, een gezin te stichten en hogerop te komen. In Afrika zouden ze in veel gevallen slechter af zijn geweest, meent hij. Toch besluit deze economisch georiënteerde historicus, die zich doorgaans verre houdt van morele oordelen, zijn boek vreemd genoeg met de schuldvraag.

Volgens hem heeft Nederland wel degelijk een morele schuld, die afgekocht kan worden door elk jaar op 1 juli de slavenhandel en slavernij te herdenken. Dat voorstel riekt zelfs naar politieke correctheid, een uitwas die hij juist wenst te bestrijden. Maar dan komt het amendement: herstelbetalingen zouden daarentegen ongepast zijn, aldus Emmer, want de Nederlanders hebben de slaven immers alleen maar gekócht, en ze niet gestolen.

Emmer pleit terecht voor meer publieke aandacht voor de geschiedenis van slavenhandel en slavernij. Maar Emmers boek beschrijft door de nadruk op economische factoren slechts één kant van de zaak, die weinig ruimte laat voor andere drijfveren van menselijk handelen. Wat moeten we denken van een Surinaamse slaaf die op 1 juli in 1863 zijn vrijheid verkrijgt? Het zou in Emmers lijn der verwachting liggen dat hij er goed aan zou doen plantagewerk te blijven verrichten, want dat zal hem als homo economicus uiteindelijk het meeste opleveren. Een ander zou waarschijnlijk zeggen dat die slaaf, nu hij eindelijk vrij is, andere prioriteiten heeft en dat hij zich juist zal afkeren van het systeem dat hem heeft onderdrukt. Ik zou zo'n benadering geen `emotionele' geschiedschrijving willen noemen, maar een volwaardig onderdeel van het algemene geschiedverhaal.

P.C. Emmer: De Nederlandse slavenhandel 1500-1850. De Arbeiderspers, 259 blz. ƒ45,-

Slavernij