Avant-garde in een Chinees lepradorp

`Ik ben de Han-Chinees die Ma Yuan heet. Ik schrijf verhalen. Ik hou van een krachtige, zwierige stijl, zoals het Chinese gezegde ``het paard dat door de hemelen vliegt'. Mijn vertellingen zijn een beetje sensatiebelust. Ik schrijf in het Chinees. Er wordt beweerd dat het Chinees met zijn karakters de allermoeilijkste taal ter wereld is. Ik ben dan ook bijzonder fier over mijn werk. Geen enkele grote meester uit de wereldliteratuur kan mij op dat punt evenaren. Ik ben uitzonderlijk.'

Aldus de beroemde openingsregels van de novelle Verzinsel van Ma Yuan, die sinds kort eindelijk in Nederlandse vertaling beschikbaar is. De publicatie van Verzinsel in 1986 was een van de hoogtepunten van de zich toen ontwikkelende Chinese avant-garde. Het werk is sindsdien een regelmatig terugkerend onderwerp van wetenschappelijke artikelen en studentenopstellen.

Zoals reeds blijkt uit de hierboven geciteerde openingsregels, bevat Verzinsel een aantal schoolvoorbeelden van de literaire techniek die wel wordt aangeduid als `metafictie': de verteller van het verhaal dringt een aantal malen op bruuske wijze binnen in de tekst om de lezer te herinneren aan het fictieve karakter van wat wordt verteld. In die zin is Verzinsel een verhaal over het schrijven van een verhaal, waarbij beide verhalen verzinsels zijn. De waarde van dit soort experimenteel schrijven in het China van de jaren tachtig, toen intellectuelen zich en masse begonnen te bevrijden van opgelegde ideologieën, is moeilijk te onderschatten. Maar ook voor hedendaagse lezers is Verzinsel een zeer genietbaar werk, niet het minst vanwege de `sensatiebelustheid' van de auteur, die ervoor gezorgd heeft dat de sappige inhoud van zijn verhaal geen moment ondergeschikt wordt aan zijn experimenten met de vorm.

Afgezien van het begin en een kleine ingreep aan het einde (`beste lezer, voordat ik dit tragische verhaal beëindig, moet ik toegeven dat ik het slot van het verhaal heb verzonnen'), speelt het merendeel van Verzinsel zich slechts op één vertelniveau af. De hoofdpersoon bezoekt een melaatsendorp ergens in Tibet, observeert en beschrijft het leven van de melaatsen en gaat relaties aan met sommigen van hen, inclusief een seksuele relatie met een melaatse vrouw, de enige in het dorp die Chinees spreekt. De belevenissen van de hoofdpersoon worden op fragmentarische wijze verteld, waarbij de chronologie op subtiele wijze ondermijnd wordt. Aan het einde van het verhaal blijkt de hoofdpersoon uiteindelijk slechts één dag in het dorp te hebben doorgebracht, iets wat logischerwijs onmogelijk is en derhalve nogmaals de aandacht vestigt op het fictieve karakter van de hele geschiedenis.

Ma Yuan doet voortdurend zijn best om de novelle zo smeuïg mogelijk te maken. Zo strooit hij ruimschoots met hints die zouden kunnen duiden op een mogelijke politieke interpretatie van het verhaal. De dag waarop de hoofdpersoon uit het dorp terugkeert is bijvoorbeeld `toevallig' de vierde mei, de `Dag van de Jeugd', waarop de studentendemonstraties van 1919 op het Plein van de Hemelse Vrede herdacht worden, demonstraties die tot op de dag van vandaag een inspiratiebron vormen voor dissidente studenten en intellectuelen. Hiermee is niet gezegd dat Verzinsel een politieke allegorie is, maar eerder dat Ma Yuan donders goed weet dat in ieder geval een gedeelte van zijn lezers politiek-getinte werken waarderen en hen daarom op hun wenken bediend heeft. Gelijksoortige overwegingen liggen mijns inziens ten grondslag aan de keuze van de auteur voor de opname van een liefdesscène tussen de hoofdpersoon en de melaatse vrouw, een passage waarmee enerzijds op spectaculaire wijze taboes worden doorbroken, anderzijds handig wordt teruggegrepen op traditionele Chinese volksmythes omtrent de seksuele activiteiten van lepralijdsters.

Al met al is Verzinsel een slim geschreven werk dat de lezer veel te bieden heeft en dat zijn prominente plaats in de geschiedenis van de Chinese avant garde volkomen verdient.

Hetzelfde kan niet gezegd worden van de novelle Drie lantaarns door Su Tong, die gelijktijdig in Nederlandse vertaling bij dezelfde uitgever is verschenen. Dat Su Tong een van de beste romanschrijfsters in het huidige China is staat buiten kijf, maar vergeleken met haar belangrijkste werken, zoals de prachtige roman Rijst (in het Nederlands verschenen bij De Geus in 1997), is Drie lantaarns niet meer dan een niemendalletje. Het verhaal heeft plaats in oorlogstijd, waarschijnlijk gedurende een van de oorlogen die China teisterden in de eerste helft van deze eeuw, een periode waarin Su Tong zijn werken bij voorkeur situeert. Wanneer de hele bevolking van `Mussendorp' op de vlucht slaat voor de oorlog, blijft de dorpsidioot (tevens eendenhoeder) Bianjin als enige achter. Terwijl om hem heen de veldslagen losbarsten, komt Bianjin in contact met het meisje `Kleine Rijstkom', dat samen met haar doodzieke moeder een boot in de nabijgelegen rivier bewoont. Ondanks hun gedeelde angst en onderlinge wantrouwen ontstaat er een soort vriendschap tussen de twee, waaraan een noodlottige gebeurtenis tenslotte een einde maakt. De droge, afstandelijke vertellersstem, typerend voor het werk van Su Tong, is in deze novelle dermate overheersend dat de lezer (of in ieder geval deze lezer) geen moment een echte binding met de personages tot stand brengt. Ofschoon goed geschreven en niet on-boeiend, vond ik het verhaal dan ook, in tegenstelling tot wat op de achterflap gesteld wordt, niet `aangrijpend'. Desondanks dienen wij vertaalster Jeanne Boden dankbaar te zijn voor haar uitstekende vertalingen van dit werk van vooraanstaande Chinese schrijvers. Het is te hopen dat uitgeverij Amerika (mij voorheen niet bekend) van zins is om op deze twee titels voort te bouwen en een uitgebreidere serie vertalingen van eigentijdse Chinese literatuur het licht te doen zien.

Uitgeverij Amerika (Antwerpen) wordt in Nederland vertegenwoordigd door de Amsterdamse uitgeverij IJzer.

Buitenlandse literatuur