Activist achter tralies

Deze biografie van Rubin `Hurricane' Carter zal een zware kluif zijn voor degenen die zijn verfilmde levensverhaal (`Hurricane', vorige week in Nederland in première gegaan, met Denzel Washington in de titelrol) als een getrouwe benadering van de werkelijkheid beleven. Het is een complex boek, zonder makkelijke verklaringen of eenduidige historische uitleg. Het is een boek dat gedetailleerde nuances biedt waar heroïek en een heldere scheiding tussen goed en kwaad de makkelijker oplossing waren geweest.

Het is zelfs geen meeslepend verhaal, daarvoor volgt het te getrouw de gecompliceerde juridische verwikkelingen van Carters twee decennia durende gevecht met het Amerikaanse rechtssysteem. Wie het uit heeft, ziet geen helden of schurken aan zijn pantheon van contemporaine geschiedschrijving toegevoegd. Het is, kortom, een verontrustend boek dat net zoveel grijstinten biedt als het leven zelf.

We schrijven 1966. Rubin Carter was een gerenommeerde, rücksichtlose bokser met een veelbelovende toekomst maar met een geprikkelde verhouding tegenover blanke autoriteit. Hij had sinds zijn vroege jeugd aanvaringen gehad met justitie en deed weinig moeite zijn sympathie voor de radicalere kanten van het zwarte protest te verhullen. Carter, die zijn sportcarrière serieus nam, maar ook zonder schaamte van het leven kon genieten, had dat jaar de pech samen met een vage kennis in een witte auto door zijn woonplaats Paterson, New Jersey te rijden, juist op het moment dat de politie op zoek was naar twee zwarte mannen in een soortgelijk voertuig, die een meervoudige moord hadden gepleegd. Carter, de nikker met de grote mond en de uitdagende levensstijl, was een ideale verdachte. Met een minimum aan bewijs en een maximum aan machinaties werd hij in staat van beschuldiging gesteld. Carter en zijn medeverdachte waren – buiten de publieke tribune – de enige zwarten in de rechtszaal. Het vonnis luidde: drie maal levenslang.

Als gevangene vestigde Carter de aandacht op zich door consequent te weigeren zich aan het systeem te onderwerpen. Hij weigerde gevangeniskleren te dragen, werk te verrichten in ruil voor een vergoeding of een goed-gedrag notitie. Hij weigerde het eten dat hem werd toegeschoven. Hij was onschuldig, zo redeneerde hij, en zou zich dus ook niet als een veroordeelde schuldige laten behandelen. Hij stortte zich volledig op de studie van het recht en de dubieuze kanten van de zaak zoals die tegen hem was gevoerd.

Bob Dylan

Tien jaar later kwam het tot een nieuwe rechtszaak. De tijden waren veranderd en die veranderingen leken in eerste instantie goed voor Carter uit te pakken. Een van de meest fascinerende (in de film geheel weggevlakte) elementen van zijn geschiedenis was dat historische moment in de jaren zeventig toen `de zaak Carter' door progressief Amerika werd aangegrepen als symbool van een door racisme besmeurde rechtspraak.

Bekendheden als Mohammed Ali en Ellen Burstyn zetten zich in, in kranten verschenen bezorgde hoofdartikelen, en Bob Dylan werd overgehaald Carters verhaal op muziek te zetten, wat hij deed met `Hurricane', zijn eerste protestlied in jaren. Het lied (te vinden op de lp/cd `Desire', 1975) werd met enorme publiciteit gelanceerd en ontwikkelde zich tot een van de hoekstenen van Dylans `Rolling Thunder Revue', waarmee de zanger de VS bereisde. Een benefietconcert in Madison Square Garden in december 1975 moest het hoogtepunt van de mediasensatie worden. Alle geruchten wezen in de richting van een gratieverlening die daar bekend moest worden gemaakt. Maar tussen een Goed Nieuws Show en de werkelijkheid lag nog een aardige kloof, en Dylan kon op het allerlaatste moment nog worden tegengehouden toen hij de amnestie al aan de volle zaal wilde bekendmaken.

De uitkomst van de zaak zou een lesje in deemoed moeten zijn, maar dat is helaas aan showbusiness-land zelden besteed. De massale steun en publiciteit van links Amerika bleken uiteindelijk averechts te werken voor Carter. De openbare aanklager wist tijdens de tweede rechtszaak succesvol de kleinsteedse sentimenten van de juryleden te bespelen met zijn verwijzingen naar al de `Madison Avenue hucksters' die de zwarte beroemdheid te hulp waren gekomen. Carters oorspronkelijke vonnis werd bevestigd: driemaal levenslang. De hele wereld kende nu weliswaar zijn naam, hij had Bob Dylan aan een affaire geholpen die diens tanende faam als sociaal bewogen zanger had bekrachtigd. Maar hij ging zelf terug achter de tralies. Het leek erop alsof dat lot hem, na alle rumoer rond zijn persoon, geruststelde.

Toen Bob Dylan later, inmiddels in een mystiek getinte incarnatie, opnieuw werd benaderd voor een steunbetuiging aan Carter wees hij zijn bezoeker op het tv-programma dat op dat moment aanstond. `Do you like roller-skating? Look at the cool stuff they do', orakelde de popster. Met een citaat uit de Bijbel en de weidse belofte dat hij Rubin nog wel eens zou ontmoeten `in de lente van mijn leven', werd de verbouwereerde bezoeker uitgeleide gedaan.

De opening naar een volgende herziening van de zaak – die uiteindelijk na bijna twintig jaar wèl zijn invrijheidsstelling tot gevolg had – was van een onwaarschijnlijkheid waar dit hele verhaal mee vol zit, en die we dus gerust als de historische waarheid kunnen accepteren. Het begon met een ongeletterde zwarte jongen uit Brooklyn die, bijna als een enfant sauvage, onder de hoede was genomen van een Canadese, blanke commune. Deze Lesra Martin stuitte bij toeval op The Sixteenth Round – het eerste boek dat hij zonder hulp kon lezen –, het bittere en woedende levensverhaal dat Carter intussen in de gevangenis had geschreven. Het verhaal trof hem, hij slaagde er op miraculeuze wijze in contact te krijgen met de ex-bokser, en binnen de kortste keren was alle energie van de commune gericht op `de zaak Carter.'

Ze wisten zijn vertrouwen te winnen. Wat hielp was dat Carter zich, onder het motto `als je niet naar buiten kan kijken, kun je altijd nog naar binnen kijken', op hetzelfde type esoterische lectuur had gestort dat in de commune populair was. De leden daarvan werkten met een onwaarschijnlijke toewijding aan een nieuwe herziening van zijn zaak. Het is een grote verdienste van biograaf Hirsch dat hij, vooral in dit deel van de geschiedschrijving, waar de roep om drama en romantiek bijna onweerstaanbaar is, uiterst nuchter blijft. Hij gaat royaal in op de onuitstaanbare kanten van de commune-ideologie en van de wispelturige en hebberige Lisa, de informele leidster die zich bezitterig over Carter ontfermde – en dan niet alleen over zijn `zaak' maar ook over zijn persoon. Het is bijna even ondraaglijk om te lezen hoe zij de zwarte bokser in zijn gevangenschap wil kneden en claimen.

Toen Carter uiteindelijk als gevolg van al deze inspanningen door een federale rechter in vrijheid werd gesteld, was zijn lot met dat van de commune verbonden. Het bleef een ongemakkelijke coalitie, zeker geen onverdeeld happy end, maar hij besefte dat hij zonder de Canadezen vermoedelijk nog steeds in de cel zou zitten. Zijn leven was een gebroken leven; van zijn vrouw en kinderen was hij voorgoed vervreemd geraakt.

Commune

Ondanks zijn conflicten met de meer dan sobere levensstijl die de commune hem oplegde, paste Carter zich aanvankelijk aan. Uiteindelijk stemde hij zelfs toe in een verstandshuwelijk met Lisa. Het gevangenisbestaan had hij ingeruild voor de afhankelijkheid van het communebestaan. Hij mocht niet roken en niet drinken en werd overal door een chaperonne gevolgd. Toen het hem uiteindelijk te veel werd en hij besloot te vertrekken, vatte hij de situatie als volgt samen: `De afhankelijkheid van het huis, van de groep, was het enige wat er daar toe deed. Het was een proces van aangeleerde hulpeloosheid; maar ik kon mezelf niet aanleren hulpeloos te zijn.'

Eenmaal terug in de wereld brak hij met Lesra Martin, die de eerste stappen in de richting van zijn vrijlating had gezet. Hij verviel in een roekeloze vorm van alcoholisme maar ook daaruit redde hij zich weer – tijdelijk. De door zijn tegenstanders voorspelde uitbarstingen van geweld bleven uit. Tegenwoordig haat Rubin Carter de bokssport als een barbaarse bezigheid en beschouwt hij tuinieren als zijn grootste passie.

Dat is het materiaal waaruit een leven wordt gemaakt, ook dat van een bekendheid tegen wil en dank. Hirsch vertelt in soms wat harkerig proza, maar het boek blijft ferm overeind. Zeker in vergelijking met de ongehoorde simplificaties die de gelijknamige Hollywoodfilm biedt.

James Hirsch: Hurricane.

The miraculous journey of Rubin Carter. Houghton Mifflin Company,

358 blz. ƒ63,75