Trou Moet Blycken

Miskien is dit...

Miskien is dit na alles tog moontlik om die bome te red

tien in die laning is reeds uitgekap:

pyn tril nog in die lug waar hulle gestaan het

en soms

as niemand kyk nie

val hul skadu's weer oor die pad

net hy is bevoorreg om dit te sien

maar as hy dit in die grootste geheimhouding aan sy

broers vertel

lag hulle hom uit

of noem hom Josef die dromer

nou speel hy smiddags alleen met sy karretjies in die skadu

en die getjirp van mossies klink vrolik in die afwesige takke

Wilhelm Knobel (1935-1974)

Om de dichter Wilhelm Knobel in vogelvlucht te situeren: aan het begin van de jaren zestig verkeerde hij in de vriendenkring van Breyten Breytenbach, in 1966 debuteerde hij met de bundel Bloedsteen, er zou tijdens zijn leven nog één bundel volgen, en in de eerste week van 1974 stierf hij in een inrichting, volgens doktersverklaring `aan algehele uitputting'. Zijn grootste passie was muziek.

Voor mij is hij een van de indrukwekkendste Zuid-Afrikaanse dichters uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Van veel erkend grote dichters neem je graag aan dat ze groot zijn, om het verder voor gezien te houden, een dichter als Knobel laat je niet los, je keert steeds opnieuw naar zijn werk terug. Krankzinnigheid, doodsangst, mededogen met het weerloze, opstandigheid en de sarcastische onhebbelijkheid om zichzelf tegen beter weten in moed in te spreken het zijn thema's die hem tot een ongemakkelijk dichter maken, zo'n dichter die ze in de officiële literatuur altijd een beetje proberen weg te moffelen.

Zelfobservaties behoren voorbeeldig en leerzaam te zijn bij een dichter. Of troostend. De zelfobservaties van Knobel snoeren de keel van de lezer toe, en zijn troost heet onveranderlijk pijn. De wereld is uit haar voegen. Tegenstellingen willen zich maar niet verzoenen.

Knobels taal is daarbij verbluffend rechtstreeks, een ogenschijnlijk simpele praattaal, maar soms zó bijtend dat het aan Jan Arends doet denken.

Ook dit gedicht is een gedicht over gekte.

Nee, het gaat over de redding van bomen.

Tien stuks zijn er al gekapt in de laan

pyn tril nog in die lug waar hulle gestaan het

waar ze gestaan hebben trilt in de lucht de pijn nog na. De pijn van wat verdwenen is, de pijn van wat door de mensen wordt geminacht. De pijn van het geschondene. Het is typerend voor Knobel, zo'n empathie.

Onwillekeurig denken we aan het gedicht Aan een boom in het Vondelpark van Vasalis. `Er is een boom geveld met lange groene lokken', luidt de beginregel. De definitief gevelde boom wordt door een kar weggesleept

het jonge hoofd nog ongeschonden,

de trotse romp nog onverslagen

ook Knobel speelt een spel met de tijd door te doen of er niets aan de hand is. Soms, als niemand kijkt, vallen bij hem de schaduwen van de bomen weer over de weg. De klok teruggezet, de tijd gefopt.

Enkel hij heeft het voorrecht om dit te zien.

Waarom enkel hij? Vanwege de positie van zijn uitkijkpost? Omdat hij met de bomen meevoelde? Omdat hij dichter is? De cynische opmerking `in die grootste geheimhouding' uit de daaropvolgende regel geeft uitsluitsel. In de grootste geheimhouding aan je eigen broers verklappen dat je de schaduw hebt gezien van bomen die er niet zijn, dat doet alleen iemand die aan waanideeën lijdt, dat doet alleen een onaangepaste gek. Zijn broers lachen hem dan ook uit en noemen hem een dromer.

Wat in hun ogen zo ongeveer hetzelfde moet betekenen als een dichter.

Knobel schreef ook een gedicht dat Broers heet. Eens in de twee jaar komen die broers hem opzoeken in dat gedicht. Dan brengen ze een karretje of een prentenboek Rooikappie en die Wolf of die Drie Varkies voor hem mee. Hij veinst interesse voor het karretje en halfslachtig bladert hij in de prentenboeken, maar als hij naar zijn broertje Heinie vraagt, dat drie jaar ouder is, krijgt hij altijd een ontwijkend antwoord. Eindelijk kondigt de bel het verlossende einde van het bezoek aan. De broers stappen opgelucht weg

en luister na die triestige gehuil

van die man van drie en dertig jaar

een onthutsend slot. Zo'n slot heeft Knobel ook hier voor ons in petto. Als ze hem niet willen geloven, welnu, dan speelt hij 's middags maar alleen met zijn karretjes alweer die karretjes in de schaduw. Het getjilp van mussen klinkt vrolijk in de afwezige takken.

De dwaas blijft in dit geval niet jankend achter, de dwaas neemt wraak. Hij houdt het heft van de werkelijkheid in eigen hand. Aan me hoela, hoor je hem denken. Jullie kunnen me wat. Ik hoor echte mussen in onechte takken.

Hier spreekt een man die zich niet neer wil leggen bij het verval. Die zich niet neer wil leggen bij de dood. Die zich niet neer wil leggen bij de verschrikking.

De illusie van de ongeschondenheid is sterker dan de realiteit van het verlies. Het is de illusie van de waanzinnige, van de dromer en van het spelende kind.

Pas nu keren we naar de beginregel terug

Miskien is dit na alles tog moontlik om die bome te red

jawel, de droom zal de redding zijn. Na alles, after all, rest ons als enige mogelijkheid de illusie. Alleen voor wie kind of kinds is lijkt de wereld intact.