Slavernij

Er bestaan – of liever gezegd er bestonden – veel vormen van slavernij, maar bij het woord slavernij denken wij toch in de eerste plaats aan de slaven die werkten op de Amerikaanse en Caraïbische plantages. Ons beeld van de slavernij wordt immers nog altijd vooral bepaald door het beroemde boek van Harriet Beecher Stowe, Uncle Tom's Cabin, in het Nederlands bekend als De negerhut van oom Tom. De avonturen van oom Tom en de schone Elisa hebben op velen een grote indruk gemaakt. Het boek, dat in 1850 als feuilleton en in 1852 in boekvorm is verschenen, heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de negentiende-eeuwse abolitionistische beweging, die ijverde voor de afschaffing van de slavernij.

Slavernij is echter een zeer gevarieerd en vrijwel universeel verschijnsel dat niet alleen in Amerika heeft bestaan, maar ook in Azië, Afrika en Europa. Voor wie bij het woord slaaf alleen maar denkt aan plantagearbeiders of galeislaven moet het vreemd zijn te bedenken dat er ook hele mooie slavencarrières hebben bestaan. In enkele delen van Afrika zijn er slaven geweest die het tot gouverneur of schatkistbewaarder hebben gebracht. Er was zelfs een slaaf die koning werd.

In sommige samenlevingen was de omvang van de slavernij uitzonderlijk groot. Zo zou volgens bepaalde schattingen India in de negentiende eeuw zo'n twintig miljoen slaven hebben gekend. Ook in Afrika kwam slavernij op grote schaal voor. Voor de koloniale heersers uit de negentiende eeuw schiep dit soms problemen. De Engelsen liepen voorop in de strijd voor de afschaffing van de slavernij. Zij schaften in 1833 de slavernij in hun koloniën af en gaven de achthonderdduizend slaven in hun West-Indische bezittingen de vrijheid. Maar dit betekende niet dat in Afrika en India nu ook terstond hetzelfde gebeurde. Officieel was de Engelse regering ook daar tegen de slavernij, maar in de praktijk liet zij de zaken vaak op hun beloop uit vrees dat anders de inheemse elites, van wier steun zij afhankelijk was, tegen het Engelse gezag in opstand zouden komen.

De Fransen schaften de slavernij ook af. Twee keer zelfs, eerst tijdens de Franse revolutie en later opnieuw en voorgoed na de revolutie van 1848. Ook dit betekende niet dat dit besluit overal in de praktijk werd gebracht. De Fransen vreesden, net als de Engelsen in India, voor een opstand van de Arabische bevolking in Algerije als de slavernij daar zou worden afgeschaft. Ook hier werd de slavernij dus officieel verboden, maar in feite oogluikend toegestaan. Het resultaat van dit alles is dat tot in de jaren vijftig van deze eeuw slavernij op grote schaal in Afrika voorkwam. In Mauretanië is de slavernij pas in 1980 afgeschaft. Een recent boek, Slavery and colonial rule in Africa, uitgegeven door S. Miers en M. Klein, geeft over dit onderwerp veel informatie.

De Europeanen werden in de negentiende eeuw de grote abolitionisten en zij waren erg trots op hun humanitaire en filantropische instelling. De bestrijding van de Arabische handel in Afrikaanse slaven kreeg daarom in de publieke opinie en propaganda veel aandacht. Die humanitaire afkeer van slavernij en slavenhandel was echter een nieuw verschijnsel. De Europeanen en met name de Fransen, Engelsen, Nederlanders en Portugezen hadden immers in de voorafgaande eeuwen op grote schaal de slavenhandel bedreven. De schattingen over de omvang van de Atlantische slavenhandel lopen uiteen, maar de meest algemeen aanvaarde schatting op dit moment is dat ruim elf miljoen slaven uit Afrika naar de Nieuwe Wereld zijn geëxporteerd. Meer dan een kwart van hen werd nog in de negentiende eeuw verscheept, hoewel Engeland al in 1808 de slavenhandel had afgeschaft en de strijd ertegen had aangebonden.

Deze omvangrijke handel was alleen mogelijk doordat het aanbod van slaven in Afrika zo groot was. De slavenhandel was er vóór de komst van de Europeanen al wijd verbreid. Wel staat vast dat de nieuwe Europese vraag het aanbod heeft gestimuleerd. Dat slavernij op zulke grote schaal in Afrika voorkwam, was mede een gevolg van het feit dat er geen particuliere grondeigendom bestond. De grond was gezamenlijk eigendom. De enige vorm van privé-bezit en de enige vorm van macht en gezag was derhalve het bezit van mensen. Een Afrikaanse vorst heerste niet over een grondgebied, maar over een groep mensen.

Europa is het enige werelddeel waar de slavernij al in de Middeleeuwen is afgeschaft. De christelijke leer achtte het onjuist om medechristenen tot slaaf te maken. Over de vraag hoe deze opvatting te rijmen viel met het feit dat andere mensen wel in slavernij werden gebracht, is heel wat gedebatteerd, ook in ons land. Maar het was en bleef een theoretische kwestie. In de praktijk werd de slavenhandel met overgave beoefend, vooral door Zeeuwen en Hollanders. Het pas verschenen boek van Piet Emmer over de Nederlandse slavenhandel gaat hier uitvoerig op in. Nederland was bovendien tamelijk laat met het afschaffen van de slavernij in de koloniën. Ons land deed dit pas in 1863. Toch waren wij hiermee nog niet de laatsten. Dat was Brazilië in 1888 (en in Europa Portugal, in 1878).

In veel landen is thans een discussie gaande over de manier waarop met dit verleden moet worden omgegaan. In Amerika is gediscussieerd over de vraag of de Amerikaanse regering excuses moet aanbieden aan het zwarte deel van de bevolking voor het hun aangedane leed. In Frankrijk is in 1999 een wet aangenomen waarin onder andere staat dat er een commissie moet komen die voorstellen moet doen inzake de inrichting van `lieux et actions de mémoire', die de herinnering aan de misdaad van de slavernij levend moeten houden. In het oorspronkelijke voorstel stond dat de commissie ook `les conditions de réparation' moest onderzoeken, met andere woorden moest aangeven hoe de slachtoffers schadeloos gesteld konden worden. Maar dit kwam niet in de uiteindelijke tekst terecht. `Een goedkope oplossing', werd dan ook smalend opgemerkt.

Soortgelijke problemen duiken tegenwoordig wel vaker op en soms wordt dan aangedrongen op het aanbieden van excuses. Het probleem hiermee is de geloofwaardigheid ervan. Want wie moet zich excuseren voor wat? De koningin? Premier Kok? Maar wat hebben de koningin en Kok met slavernij en slavenhandel te maken? Het antwoord is: niets, behalve dan dat zij thans de regering van dit land vormen. Maar deze redenering leidt tot uiterst vreemde consequenties. Zoals Peter Baehr al eens heeft opgemerkt, zou dit er toe leiden dat president Mandela excuses had moeten aanbieden voor de apartheidspolitiek.

Het verleden moet niet vergeten of opgepoetst worden, maar daar zijn voldoende andere middelen voor. Musea, televisieprogramma's, documentatiecentra, gedenkstenen en vooral het onderwijs zijn de geëigende instrumenten om dit doel te bereiken. Excuses zijn meestal niet meer dan een vrijblijvend gebaar.