Opleidingsniveau van Rotterdamse allochtonen stijgt

De positie van allochtonen in Rotterdam verbetert, blijkt uit de Minderhedennota. Maar tussen de allochtonen worden de verschillen groter.

Het opleidingsniveau van allochtone Rotterdammers is de afgelopen jaren flink gestegen en het aantal werklozen en uitkeringsgerechtigden is aanzienlijk gedaald. Toch is de werkloosheid bij Rotterdammers van Surinaamse, Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse afkomst gemiddeld twee keer zo hoog als bij autochtone Rotterdammers.

Dit staat in de Minderhedenmonitor, een jaarlijkse studie van de gemeente Rotterdam naar de positie van allochtonen. Eergisteren werd de derde versie gepresenteerd, uitgevoerd door het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek (ISEO) en het Centrum voor Onderzoek en Statistiek (COS).

Van de bijna 600.000 inwoners van Rotterdam is 43 procent van allochtone afkomst. Dat percentage groeit vooral door de immigratie van Antillianen en Arubanen.

Allochtone kinderen gaan vaker naar peuterspeelzalen: 45 procent in 1999 tegen 39 procent in 1997. Dit wordt van belang geacht voor de aansluiting bij het basisonderwijs. Marokkaanse kinderen komen het minst vaak in peuterspeelzalen. Het opleidingsniveau van allochtonen in Rotterdam is ten opzichte van 1994 duidelijk gestegen. Er zijn meer Turken, Surinamers en Marokkanen op de universiteiten en hbo's. Dit geldt niet voor Antillianen.

De werkloosheid onder allochtonen is ,,sterk gedaald'', staat in het rapport. Wel zijn er grote verschillen tussen bijvoorbeeld Surinamers (12 procent werkloosheid) en Turken (23 procent) en Marokkanen (27 procent). Slechts een kwart van de Turkse en Marokkaanse vrouwen is actief op de arbeidsmarkt. Van de autochtone Rotterdamse beroepsbevolking was in 1998 vijf procent werkloos.

Ook op andere gebieden zijn er verschillen tussen de etnische minderheden. Het functieniveau van Turken is ,,behoorlijk gestegen'', terwijl Surinamers niet doorstromen en Marokkanen en Antillianen vaker in lagere functies terecht kwamen. Turken zijn ook actiever dan andere minderheden als eigen ondernemer, zij starten net zo vaak als autochtonen een bedrijf. Bijna de helft van de 4.152 allochtone ondernemers in begin 1998 was van Surinaamse of Turkse afkomst. Bij Antillianen is het aantal ondernemers het kleinst.

Antillianen en Arbubanen zijn volgens de monitor de belangrijkste probleemgroep. Wethouder H. Meijer (Minderhedenbeleid) wil jonge Antilliaanse migranten opvangen in een internaat om achterstanden – onder andere in taal – weg te werken en te voorkomen dat zij in de criminaliteit belanden.

De gezondheid van vooral de eerste generatie allochtonen is slechter en zij voelen zich ook vaker ziek dan autochtonen in dezelfde sociaal-economische positie. Tussen huisartsen en allochtone patiënten bestaan forse communicatieproblemen, constateren de onderzoekers.

Toch is de ontwikkeling van de positie van minderheden ,,heel positief'', volgens Meijer.