Muggenziften als literatuurkritiek

,,Ik weet niet wat er met Mulisch is gebeurd sinds de jaren vijftig, en ik wil het ook niet weten, maar indien dit werk (het boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid – E.E.) anoniem ter tafel was gekomen bij Hollands Maandblad of enig ander zichzelf respecterend periodiek had het in deze vorm de drukpers niet gehaald.''

Aan het woord is Bastiaan Bommeljé, redacteur van Hollands Maandblad. Om redacteur (of medewerker) van dit blad te kunnen zijn moet je, zo lees ik in het redactioneel van het aprilnummer, niet alleen intelligent zijn, maar bovendien geleerd. Ook moet je beschikken over verbeeldingskracht en een karakteristieke stijl. Taalvaardigheid en schrijfkunst zijn geen vereiste, want ,,die spreken vanzelf''. Tsja, aan zulke hoge maatstaven kan de autodidact Mulisch natuurlijk niet voldoen. Bommeljé legt diens boekenweekgeschenk onder zijn fileermesje, hij hakt elke zin in stukken en concludeert dat alle recensenten die Het theater, de brief en de waarheid hebben geprezen anders dan hij niet kunnen lezen. ,,Met hun loftuitingen over de stijl van Mulisch hebben zij zich belachelijk gemaakt.''

Ook ik heb me in de ogen van Bommeljé belachelijk gemaakt door ,,flagrante onzin'' over Ter Braak te schrijven. Nu is dat allemaal best, maar wie anderen de les leest over stijl en taal, zou zelf minimaal moeten proberen vlekkeloos te schrijven. Stiekem denk ik dat het uitgesponnen stuk van Bommeljé een last minute-noodgreep is geweest om het blad vol te krijgen. Niet voor niets eindigt het redactioneel met de min of meer wanhopige verzuchting dat een nummer van Hollands Maandblad ,,nooit probleemloos'' is.

Aan de kwaliteit te oordelen, moeten de problemen deze maand gigantisch geweest zijn. Het is dan ook ook vrijwel ondoenlijk om met een redactie van drie mensen iedere maand weer zo'n blad te vullen, zonder subsidie, dat wil zeggen zonder geld om hoogwaardige medewerkers aan te trekken. Alhoewel, deze maand is Hollands Maandblad gesponsord door het verzekeringswezen, dus geldgebrek is geen excuus.

Misschien is het een beetje flauw om na te gaan welke eisen een redactie die een bijdrage van Mulisch wegens gebrek aan kwaliteit zou weigeren aan zichzelf stelt, maar de verleiding is te groot. Laten we beginnen bij Bommeljé. Die is, zo blijkt uit zijn analyse van Mulisch, redelijk goed in zinsontleding, zowel taal- als redekundig, maar wat spelling betreft (postuum schrijf je zonder h na de t) laat hij steekjes vallen. Argumenteren is ook niet zijn sterkste kant en zijn stijl laat behoorlijk te wensen over. Maar liefst elf alinea's beginnen met ,,ik bedoel'', wat van een nogal geringe taalrijkdom getuigt, maar alla, wie vaker iets van Bommeljé heeft gelezen, weet dat hij oefent op een retorische stijl.

Van de medewerkers van Hollands Maandblad, die behalve op intelligentie, geleerdheid en verbeelding ook op taalvaardigheid worden geselecteerd, mag dr. Ton van Rietbergen, gepromoveerd op de internationalisering van het Europese verzekeringswezen, het nummer openen met een bijdrage over de nieuwe (Internet)economie. Inderdaad, een geleerd en actueel stuk, maar een beetje eindredactie had geen kwaad gekund, want `schrijfkunst' spreekt bij deze auteur niet vanzelf. Clichés en stoplappen vechten om voorrang: ,,Beleggers noch topman Jeff Bezoz lijken er wakker van te liggen'', aandeelhouders zouden allang ,,eieren voor hun geld hebben gekozen'', ,,zeker is dat'', ,,zeker is ook'', ,,zeker is echter bovenal'', ,,het fundamentele probleem is'', ,,opmerkelijk genoeg'', ,,feit blijft dat'', ,,het is opvallend dat'', ,,feit is ondertussen dat''.

Geleerd is ongetwijfeld ook dr. F.A. Muller, die in een essay over ,,Allah en God in Nederland'' zijn ,,verbijstering'' uitspreekt over de bekering van Willem Jan Otten tot het rooms-katholieke geloof. Het is een mooi boos stuk, maar stilistisch bepaald geen hoogstandje. ,,Wat de zaak Otten extra verbijsterend maakt, is het feit dat Otten, behalve liefhebber van porno, voor alles dichter is'', vind ik althans een voorbeeld van brabbeltaal. Of neem deze, in een tirade tegen islamitische scholen: ,,Hou me ten goede, het is verre van mijn bedoeling om stemming te maken tegen allochtonen (waaronder mijn Tunesische vrouw)''. Afgezien van de associatie die deze uitdrukkingswijze oproept met uitlatingen van mensen die ,,joden onder hun beste vrienden'' hebben, staat hier ook een taalfout: als het over personen gaat, schrijven we in het Nederlands niet `waaronder', maar `onder wie'.

Er valt nog veel meer te muggenziften over taal-, stijl- en zetfouten in deze aflevering van Hollands Maandblad, maar, anders dan Bastiaan Bommeljé geloof ik niet dat dit een zinnige wijze van (literatuur)kritiek is.

Hollands Maandblad 41ste jaargang, nr. 629, april 2000. Uitg. Stichting Hollands Maandblad i.s.m. L.J. Veen. Prijs ƒ 12,50