Kurt Schwitters als gekortwiekte vogel

`Ik weet dat ik een belangrijke factor ben in de ontwikkeling van de kunst en dat altijd zal blijven. Ik zeg het met grote nadruk zodat niemand later kan zeggen: de arme kerel had geen idee hoe belangrijk hij was. Nee, ik ben niet gek en ook niet bescheiden. Ik weet heel goed dat onze tijd, voor mij en andere belangrijke persoonlijkheden van de abstracte beweging, nog zal komen, en dat we een hele generatie zullen beïnvloeden. Echter, ik ben bang dat ik dit niet zal beleven.'

Kurt Schwitters (1887-1948) schreef dit in 1931, en hij kreeg gelijk. Tot aan zijn dood bleven erkenning, afgezien van een klein aantal bewonderaars in de kunstwereld, en financieel succes uit. Zijn eerste solotentoonstelling vond plaats kort na zijn dood, in een galerie in New York. Sinds enkele decennia geldt Schwitters als een van de belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw, en wordt hij beschouwd als voorloper van Pop Art en Fluxus. Vele grote overzichtstentoonstellingen zijn aan hem gewijd, zoals in het Museum of Modern Art in 1985 en in het Centre Pompidou in 1996.

Zijn leven lang was Schwitters een eenling op een breuklijn in de geschiedenis, opererend in de marge van kunstbewegingen. Hij woonde niet in belangrijke kunstcentra als Berlijn en Parijs maar in Hannover. Later, in 1937, vluchtte hij voor het nazisme naar Noorwegen. Vanaf 1940 woonde hij in Londen.

Schwitters was een geboren dadaïst, alles en iedereen relativerend, zozeer dat hij zelfs door het `officiële' dadaïsme van Richard Huelsenbeck niet als broeder werd geaccepteerd. Schwitters vond dat hij geen twee heren, kunst en politiek, kon dienen. Zoals hij dichtte: Ich pfeife auf die Ideale / ich frass den Apfel mit der Schale. Hij leverde indirect kritiek op de maatschappij én op de kunst door, zoals K. Schippers het formuleerde in zijn boek Holland Dada, `zijn precieze aandacht voor het geringe, dat op geen enkele status kan bogen'. Schwitters maakte zijn leven lang collages en reliëfs van materialen die hij op straat vond. Merz noemde hij dit werk, een woord dat was ontstaan toen hij voor een collage de de naam `Kommerz- und Privatbank' verknipte. Schwitters vervaardigde ook driedimensionale Merz. Zijn woning in Hannover had hij met gips tot Merzraum verbouwd, een grote sculptuur, dwars door de plafonds heen, waar je in kon lopen als in een kubistisch schilderij. Deze `Merzgrot' is bij bombardementen verloren gegaan.

Voor Schwitters was het kunstenaarschap, en daarmee zijn leven, een spel, dat hij onafgebroken en met grote toewijding speelde. `Wir spielen, bis uns der Tod abholt', zei hij. Het was een van zijn geliefde bezigheden om zich bij tijd en wijle luid tsjilpend en met veel armgefladder in een vogel te transformeren.

In het Stedelijk Museum is nu een expositie van Schwitters' werk te zien, met ruim tachtig collages, reliëfs en schilderijen. Sinds ik de expositie bezocht vraag ik mij steeds af hoe Schwitters op deze expositie gereageerd zou hebben. Zou hij kwaad zijn worden? Nee, hij was een zachtmoedige en beminnelijke man, kwaad worden lag niet in zijn aard. Zou hij erom hebben lachen? Nee, want Schwitters, zoals uit talloze van zijn brieven blijkt, hechtte eraan dat zijn werk begrepen werd en op de juiste wijze gepresenteerd. Hoogstwaarschijnlijk zou hij de tentoonstellingsmaker, Rudi Fuchs, er beleefd op hebben gewezen dat hier sprake moet zijn van een misverstand.

Op deze tentoonstelling, en in de catalogus, wordt Schwitters gepresenteerd als voorloper van, jawel, Baselitz. In een pathetische tekst schrijft Fuchs over verfhuid en textuur, over `een sterk ontwricht en agressief oppervlak', ja, zelfs over Schwitters' `zware oppervlak, ruig als een omgeploegde akker'. Fuchs ontdekt hier via Baselitz Schwitters als een van de grote kunstenaars van de 20ste eeuw. Zwaar, ruig, agressief je moet wel enorme oogkleppen op hebben om Schwitters' werk deze eigenschappen toe te dichten.

Fuchs heeft er alles aan gedaan om een Schwitters in te passen in zijn, Fuchs', beeld. Er zijn dus heel veel schilderijen te zien, overwegend slappe, lyrisch-abstracte schilderijen die een tamelijk hulpeloze stilering zijn van een modern idioom, en ook de zeer matige, vet-gekwaste landschappen en portretten uit Noorwegen. Schwitters was een groot kunstenaar, maar geen groot schilder. De keuze uit de collages en reliëfs is zeer ongelijk van niveau, wat verklaard wordt door het feit dat een groot deel afkomstig is uit de kunsthandel. Verder is er geen enkel gedicht, drukwerk, niet één foto van een Merzbau of van de man aanwezig, geen geluidsband met klankgedichten, slechts één Merzsculptuur. Wanneer we bedenken dat Schwitters schreef: `Ik heb twee hoofddoelen, twee levenswerken. De eerste is mijn Merzbau, de tweede is mijn Sonata', dan is deze tentoonstelling alleen maar als een falsificatie op te vatten.

Fuchs is er in geslaagd om Schwitters te bedekken met de grauwsluier die sinds zijn aantreden in het Stedelijk in het museum hangt. Hij moet de kunst van Schwitters, die een lichtvoetige, spirituele bespotting is van het burgerdom, verafschuwen.

Kurt Schwitters, een overzicht. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam.

Tot 6 augustus. Dagelijks 11-17 uur.

    • Janneke Wesseling