Fonds voor de Letteren zet schrijvers danig in de kou

Het Fonds voor de Letteren wil in de toekomst geen schrijvers meer subsidiëren maar plannen voor boeken. Voor schrijvers betekent dit voornemen een nachtmerrie. Niemand schrijft immers alleen maar goede boeken, meent Herman Stevens.

Het is niet moeilijk het moment aan te wijzen waarop de Nederlandse literatuur volwassen werd. Voordat in 1965 het Fonds voor de Letteren werd gesticht, leefden onze schrijvers in armoede en afhankelijkheid. Simon Vestdijk kon dan wel sneller schrijven dan God kon lezen, maar hij had een beurs nodig om aan het eind van zijn carrière eens een reisje naar het buitenland te kunnen maken. Wie foto's bekijkt van het Boekenbal in de jaren vijftig, ziet dat het in de letteren nog twintig jaar duurde voor de Hongerwinter voorbij was. Broodmagere schrijvers zitten naast schrijfsters in japons die van de veiligheidsspelden aan elkaar hangen. Wie toen voor de literatuur koos, had zichzelf veroordeeld tot een maatschappelijke mislukking.

Met bescheiden middelen heeft het Fonds een einde gemaakt aan deze armoede. Geen schrijver is rijk geworden van een beurs, maar het Fonds heeft van de literatuur een vak gemaakt waar je je niet meer voor hoeft te schamen. Wie beschikt over talent, energie én een bijdrage van het Fonds kan van de pen leven. Zonder het Fonds zouden onze letteren er magertjes bijstaan, want er zijn maar enkele schrijvers die van hun royalties kunnen leven. Een paar keer succes is niet genoeg, en een literaire prijs is snel vergeten.

Het Fonds biedt bescherming tegen de willekeur van de markt. Er zijn schrijvers zoals Bernlef, die pas na lange tijd doorbreken naar een groter publiek. En er zijn schrijvers zoals Geerten Meijsing, die ondanks al hun kwaliteiten nooit meer dan een paar duizend lezers aan zich zullen binden. Toch heeft het Fonds zich, als kind van de jaren zestig, lange tijd al te radicaal tegenover de markt opgesteld. Destijds was het mode om te filosoferen over de dood van de roman. Harry Mulisch decreteerde toen dat de traditionele roman overbodig was. Wie zich graag liet meeslepen door een mooi verhaal hoorde in de bioscoop thuis. Alleen wist het publiek dat nog niet. Het Fonds zou ervoor zorgen dat schrijvers van het nieuwe, non-vertellende proza niet hoefden te verhongeren tot de tijd dat de lezers erachter kwamen waar de toekomst van de literatuur lag.

Die toekomst is er nooit gekomen. Lezers lezen nog steeds liever verhalen met een begin, een midden en een eind. Toch zou je dat niet zeggen als je de jaarcijfers van het Fonds ziet. Daarin wordt de eredivisie nog steeds aangevoerd door de veteranen, terwijl het tot diep in de jaren negentig duurde voor een vrouw de top bereikte, want die kunnen kennelijk niet zo goed schrijven. Het Fonds is er immers niet alleen om schrijvers bij hun werk te helpen. Het is ook een instituut van uitsluiting. Naarmate de jaren tachtig vorderden, kwamen er steeds meer schrijvers die op ideologische gronden door het Fonds werden afgewezen.

Er was het schandaal rond Tim Krabbé, die meer werd gezien als een sportfiguur dan als een schrijver in de traditie van W.F. Hermans. En het Fonds moest lang wennen aan de luchtige toon van de generatie die zich in die jaren begon te roeren. Echte literatuur kon er immers niet toegankelijk uitzien. Er waren zoveel schrijvers die aan de zijlijn werden geparkeerd, dat voor de jongere generatie het Fonds een bastion werd van voortsukkelende babyboomers. De literatuur was dan wel volwassen geworden, maar sommige schrijvers waren volwassener dan anderen.

Het nieuwe beleidsplan van het Fonds `Het gaat om kwaliteit', wil deze vergrijzing keren. Het wil de doorstroom van jonge auteurs versnellen en ontluikend talent met startstipendia aan het werk zetten. Hiertoe wordt de hele structuur van toekenningen op de helling gezet, want tot dusverre was het Fonds vooral op continuïteit ingesteld. Het Fonds steunde schrijvers met een beloning achteraf voor elk boek dat verscheen, terwijl werkbeurzen werden toegekend waarmee een schrijver ongestoord kan werken. In de praktijk hingen die twee geldstromen nauw samen. Wie op grond van gunstige leesrapporten een paar keer honoraria achteraf had ontvangen, kreeg een werkbeurs voor een nog te schrijven boek. En die werkbeuzen konden omhoog. Het was een degelijk systeem, maar swingen deed het niet.

In de toekomst wil het Fonds er sneller bij zijn. Straks hoeven schrijvers het Fonds niet meer op de hoogte te houden van hun vorderingen. Ze hoeven hun boeken niet eens meer voor te leggen aan het Fonds, want het geld achteraf gaat voor de bijl. Het is onrendabel om al die boeken te lezen en te beoordelen. Bovendien wil het Fonds niet langer gedane arbeid belonen. Het wil niet steunen maar sturen. Daarom wil het Fonds in de toekomst geen schrijvers meer subsidiëren. Het gaat boeken subsidiëren. En zelfs dat is nog teveel gezegd. De subsidie gaat naar plannen voor boeken. Wie een idee voor een boek heeft stelt zijn plan op een papier, en op grond van dat A4-tje wordt een eenmalige projectbeurs verleend. Verworven rechten zijn verleden tijd.

Het klinkt ideaal. Op deze manier zal het Fonds alleen nog maar de goede boeken steunen, terwijl de winkeldochters ons bespaard blijven. Voor schrijvers is het echter een nachtmerrie, want als iedereen enkel meesterwerken schreef, was er helemaal geen Fonds nodig. Soms moeten schrijvers réculer pour mieux sauter. Als een schrijver nooit eens met een minder boek kan komen, zal hij nooit een beter schrijver worden. Dat weet iedereen die auteurs leest, en niet alleen de sellers van het seizoen.

`Het gaat om kwaliteit' ziet het verschil tussen een boek en een flaptekst niet. Als een schrijver zijn ideeën op A4-formaat kwijt kon, zou hij zeker geen romans schrijven. Dan hield hij het op stukjes. Maar in de literatuur gaat het om toon, stijl en de vorm van het verhaal. Iedereen kent mooie verhalen, maar niet iedereen kan ze vertellen. Zo vraagt Het Parool elke vrijdag een schrijver naar de kortst mogelijke samenvatting van De Avonden. Niemand komt ook maar in de buurt van het boek. Maar hoe had Reve De Avonden moeten samenvatten voor hij eraan begonnen was? Frits van Egters zit de kerstvakantie uit? Met zijn knuffelkonijn? Daar had Reve nooit een beurs voor gekregen, in de huidige markt.

Sinds Rick van der Ploeg over de cultuur gaat, ademen alle beleidsplannen de muffe lucht van de Thatcherjaren. Symfonie-orkesten moeten concurreren met de Rolling Stones, de musea moeten elke dag uitpuilen en ook de schrijvers moeten meegaan met die achterhaalde marktideologie. Maar de jaren negentig hebben laten zien hoe weinig de markt kan doen voor de literatuur. Er is wel een markt ontstaan voor bestsellers van een formaat dat we voordien niet kenden. Maar die sellers eten alle ruimte uit de onderkant van de markt op. Palmen, Van Dis en Mulisch verkopen recordaantallen. Dat zijn de boeken die je moet kopen. Maar de boeken die je moet lezen, doen het daardoor slechter dan ooit. Toch zijn literatuur en markt niet onverenigbaar. Er moet alleen een Fonds tussen staan dat werkelijk voor de letteren is.

Herman Stevens is schrijver.