`Euro-landen' moeten voortouw nemen in Europa

De haast om de Europese Unie uit te breiden, kan tot ernstige crises leiden. De landen in de `euro-zone' moeten hun samenwerking eerst verdiepen, menen Valéry Giscard d'Estaing en Helmut Schmidt.

Vlak voor het einde van de vorige eeuw hebben de vijftien staats- en regeringshoofden van de Europese Unie in grote lijnen hun plannen voor hun EU ontvouwen. Maar de stap die ze met hun ene been zetten, wordt niet door het andere gevolgd.

Naast de lopende onderhandelingen met Polen, Hongarije, de Tsjechische Republiek, Slovenië, Estland en Cyprus, die alle het lidmaatschap van de EU hebben aangevraagd, besloten zij tevens over het lidmaatschap te gaan praten met Slowakije, Letland, Litouwen, Roemenië, Bulgarije en Malta. De Commissie ging zo ver te verklaren dat men voor het eind van 2000 het tijdpad zou vaststellen voor de toelating van zeven of acht van de aspirant-leden alsook voor de respectieve overgangsperioden.

Maar de Europese leiders kwamen niet met maatregelen die de Europese Unie in staat moesten stellen zo'n enorm aantal aspirant-leden op te nemen. Er is dringend behoefte aan institutionele hervormingen. Nu al, met vijftien lidstaten, functioneren de bestaande instituties niet goed. Als er niets verandert, zullen ze bij een aanzienlijke ledenaanwas geheel stagneren. Bovendien wordt een institutionele hervorming ná uitbreiding alleen maar moeilijker.

De haast die men kennelijk heeft om de Unie uit te breiden kan, in combinatie met een verzuim de instituties te hervormen, een reeks ernstige crises in de eerste tien jaar van de 21ste eeuw tot gevolg hebben, dan wel een verwatering van de unie tot een gewone vrijhandelszone, gegarneerd met een aantal instituties. Zo'n aantasting van de aard en de historisch ongekende doelstelling van de EU zal wellicht een aantal nationalisten in diverse landen kunnen bekoren. Maar het zou vooral koren op de molen zijn van degenen in Washington die invloed in Europa willen behouden ter bevordering van Amerika's mondiale geopolitieke doeleinden – en soms illusies.

Bij sommige politici die galmende toespraken houden over de toekomst van Europa, reikt het historisch geheugen schijnbaar niet verder terug dan Hitler, Stalin en de Koude Oorlog. Zij hebben onvoldoende begrip van de achttiende en de negentiende eeuw, en dan vooral de historische achtergrond van de Balkanlanden.

De afgelopen twee eeuwen heeft Europa de opkomst van nationale staten meegemaakt, die elkaar naar de kroon staken, oorlog voerden en doorgaans waren voorzien van een nationale taal en een nationale geschiedenis. Geen van deze naties is thans gaarne bereid haar erfgoed op te offeren en het zelfbestuur uit handen te geven. De inwoners van deze landen moeten er dus stapje voor stapje toe worden bewogen een deel van hun soevereiniteit los te laten, ten behoeve van hun eigen toekomstige vooruitgang.

Deze geleidelijke aanpak heeft, te beginnen bij het plan-Schumann uit 1950, tot het onvoorstelbare succes van de huidige Europese Unie geleid. Als de huidige leiders van de EU-landen denken het aantal lidstaten te verdubbelen via besluiten van ministerraden en hun bureaucratische adjudanten, dan zouden ze wel eens spoedig in een diepe crisis kunnen geraken, ook tegenover hun eigen nationale electoraat.

De wil om ten opzichte van de wereldmogendheden een aanzienlijke mate van zelfbeschikking te behouden, zal een belangrijke secundaire strategische stimulans worden voor Europese integratie. Individueel bezit geen van de Europese nationale staten voldoende gewicht en macht om het hoofd te bieden aan de grote mogendheden, die in de komende eeuw zeker geneigd zullen zijn hun onderlinge kwesties op te lossen zonder voldoende rekening te houden met de belangen van anderen.

De landen van Europa mogen slechts dan hopen enige invloed in de wereld te behouden wanneer zij de EU samen uitbouwen tot een volledig functionerende entiteit. Hoe anders kunnen wij onze stem doen klinken in de mondiale besluitvorming over nieuwe internationale wetgeving, de wapenbeheersing, de wijze van optreden in geval van oorlogen elders in de wereld, het beheer van de wereldhandel, het omgaan met de gevolgen van het broeikaseffect, het afvlakken van de mondiale bevolkingsexplosie en de beheersing van de grote stromen vluchtelingen en ontheemden – en in de eerste plaats het omvormen van de thans chaotische financiële markten tot een stabiel, levensvatbaar mondiaal stelsel?

In de loop van de 21ste eeuw, op zijn laatst in de tweede helft van deze eeuw, zal de positie van de Verenigde Staten als enige mondiale supermacht gaandeweg afkalven. Er zal dan meer dan één wereldmogenheid bestaan. De Europese Unie is nog bij lange na niet in staat een krachtig gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te formuleren en te voeren, en dus bij lange na nog geen wereldmogendheid.

Het zal nog grote moeite kosten de oude Europese naties ervan te overtuigen dat de toekomstige invloed van onze verouderende samenlevingen en de bescherming van hun belangen afhangt van onze wil om verder te integreren. Of het Verenigd Koninkrijk uiteindelijk zal besluiten tot volledige samenwerking binnen de EU staat nog te bezien. Zolang de Britse natie op de drempel blijft staan, half binnen en half buiten de Unie, zal de vooruitgang vooral afhangen van een nauwe samenwerking en een gezamenlijk leiderschap van Fransen en Duitsers. Zij zullen het bondgenootschap met de VS inzake de mondiale veiligheid willen voortzetten, maar tegelijkertijd streven naar behoud van hun zelfbeschikkingsrecht.

Op dit ogenblik verdient de toetreding van Polen, Tsjechië en Hongarije tot de EU – in totaal 60 miljoen mensen – hoge prioriteit. Maar de hoogste prioriteit verdient toch de institutionele hervorming. Toetreding van Turkije, en daarmee de uitbreiding van het toekomstig buitenlands en veiligheidsbeleid tot aan de grenzen van Syrië, Irak, Iran en de Kaukasus heeft, zacht gezegd, geen enkele prioriteit.

In sommige gevallen lijkt economische associatie meer aangewezen. Het zou onverstandig zijn bepaalde zwakke Europese staten plotseling bloot te stellen aan de volle concurrentiekracht van hoogontwikkelde Europese ondernemingen – het lot van de vroegere Oost-Duitse industrie noodt niet tot herhaling. Ook onverstandig zou het zijn miljoenen mensen naar West-Europa te lokken, waar zij wel eens zouden kunnen willen blijven, omdat zij er vijf tot tien keer zoveel kunnen verdienen als in eigen land. De Europese leiders dienen zich van deze sociale en economische kwesties rekenschap te geven voordat zij overhaaste beslissingen nemen.

Het uitbreidingsproces, waarbij de EU uitgroeit tot 27 landen met zo'n 530 miljoen inwoners, is wezenlijk anders dan het oorspronkelijke eenwordingsproces en kan niet tot één geïntegreerd stelsel leiden. Er zijn verschillende mogelijkheden geopperd: Europa als tweestromenland, een Europa georganiseerd in concentrische kringen, en een Europa in twee lagen.

Nu het uitbreidingsproces op gang is gebracht, is het duidelijk dat voorzover menselijkerwijs valt te overzien – dat wil zeggen in de komende twintig tot vijftig jaar – Europa zich langs drie afzonderlijke lijnen zal ontwikkelen:

1. De organisatie van de Europese geografische ruimte zoals begrensd door de uitbreidingen. Deze organisatie zal betrekking hebben op kwesties van economie en vrije handel, in samenhang met een beperkte mate van politieke integratie tot hooguit het huidige niveau. De prioriteit hierbij heeft institutionele hervorming, teneinde het systeem werkbaar te houden. Anders zal het ten onder gaan, zoals de Commissie is overkomen.

Wat men vooral níet moet doen is het onvermogen om te hervormen verhullen in een wolk van loze compromissen! Binnen de Europese ruimte zal ieder land, ook Duitsland en Frankrijk, slechts accepteren wat men in het eigen belang acht, bij een passende mate van solidariteit. Zij zullen al die zaken in eigen nationaal beheer willen houden die geen gezamenlijke oplossingen of regelgeving vereisen. Het subsidiariteitsbeginsel moet eindelijk afdwingbaar worden.

2. De tweede ontwikkelingslijn betreft de organisatie van een gemeenschappelijke Europese defensie. Dit proces staat thans, met de actieve steun van Londen, stevig op de rails. Om operationeel te kunnen worden moet het gedragen worden door de landen met een aanzienlijk militair vermogen en door de bereidheid bij het publiek een slagvaardig besluitvormingsmechanisme te accepteren.

3. De derde ontwikkelingslijn betreft datgene wat er rest van de aanvankelijke wil tot integratie. Het spreekt vanzelf dat volledige integratie geen realistisch doel is voor dertig landen die onderling sterk verschillen qua politieke traditie, cultuur en economische ontwikkeling. Een poging tot integratie van zoveel landen kan alleen maar tot een totale mislukking leiden. Bovendien spreekt vanzelf dat landen niet tot integratie kunnen worden gedwongen.

De enige realistische optie is dus dat die landen die de politieke wil daartoe bezitten en die in vrijwel identieke economische en maatschappelijke omstandigheden verkeren, naar verdere integratie streven. Alle landen waarvoor dit geldt, behoren tot de euro-zone, en hun bevolking overtreft nu reeds die van de VS. Zullen deze landen een nieuwe weg inslaan en proberen hun politieke bevoegdheden deels te integreren op basis van een federatieve structuur?

Een dergelijke opzet vereist op zijn minst een initiatief van de constituerende landen: Frankrijk, Duitsland en Italië plus de Benelux, en enkele andere bereidwillige, vastbesloten kandidaten. Voorts zijn nieuwe instellingen nodig: een Raad, een parlementaire structuur die operationele banden met de nationale parlementen kan onderhouden – maar waarschijnlijk géén Commissie. In de praktijk zouden dit `instellingen binnen de bestaande instellingen' van de EU zijn.

De enige restrictie die de niet-deelnemende landen zouden kunnen opleggen aan de nieuwe groep – voorlopig aangeduid als `Euro-Europeanen' – is dat deze laatsten alle verplichtingen die de EU als geheel aangaat zullen respecteren, en dat de nieuwe instellingen geen competentiestrijd mogen aangaan met de Europese instellingen. Met het nodige voorbehoud zou men kunnen zeggen dat de nieuwe groepering een politieke entiteit op het grotere Europese continent zou zijn, zoals de Verenigde Staten van Amerika een zelfstandige politieke entiteit op het Noord-Amerikaanse continent is.

Onze leiders vergissen zich wanneer zij menen dat de onopgeloste problemen van de topconferenties te Maastricht en Amsterdam via een versnelde uitbreiding onder het tapijt kunnen worden geveegd. Ook maken zij een fout indien zij deze overgebleven kwesties overlaten aan een nieuwe intergouvernementele conferentie zonder vooraf en gezamenlijk duidelijke politieke richtlijnen voor hun diplomaten vast te stellen.

Europa heeft behoefte aan leiding door verantwoordelijke personen, die beschikken over het vertrouwen van hun kiezers, de wil om hun doelstellingen duidelijk te formuleren en de vastbeslotenheid om de geschiedenis in nieuwe banen te leiden.

Valéry Giscard d'Estaing was in de periode 1974 – 1981 president van Frankrijk; Helmut Schmidt was van 1974 tot 1982 bondskanselier van Duitsland. Samen zitten zij het Comité inzake de Economische en Monetaire Unie van Europa voor. © LA Times Syndicate.

Militairen

Onder de foto bij het artikel `Euro-landen' moeten voortouw nemen in Europa (in de krant van donderdag 20 april, pagina 6) staat dat de toenmalige Franse president Giscard d'Estaing en de Duitse bondskanselier Schmidt in Duitsland gelegerde Franse troepen inspecteren. Dit is onjuist. Het betrof Duitse militairen, gelegerd in het Quartier de Lattre de Tassigny, het Franse militaire hoofdkwartier in Duitsland.

    • Helmut Schmidt
    • Valéry Giscard D'Estaing