Een geknakte voorpoot

In de Leeuwarder Courant las ik dat het gemeentehuis in Oosterwolde, hoofdplaats van Ooststellingwerf, een nieuwe bestemming krijgt. Ik schoot meteen in de lach. Die lach vereist enige toelichting. Het toeval wil dat ik mij de laatste maanden een beetje in deze landelijke gemeente heb verdiept. Ik genoot van oude reisverhalen (o.a. van Jac. P. Thijsse) over deze streek en las iets over haar geschiedenis en de huidige situatie. Dat alles in het kader van een gemeentelijke opdracht om een beschouwend opstel over Ooststellingwerf te schrijven.

Wat wil het geval? Tussen mijn papieren bevinden zich stukken die betrekking hebben op de juiste heraldische voorstelling van het gemeentewapen. Ter gelegenheid van het plan om in Oosterwolde een nieuw gemeentehuis te bouwen, ontvingen B en W in de zomer van 1980 een brief van een bestuurslid van de Friese Raad voor de Wapenkunde. De inhoud loog er niet om. Weliswaar werd het wapen – een rode griffioen – om zijn schoonheid geprezen, maar tevens werd ernstig bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop het dier was afgebeeld. Daar deugde werkelijk niets van!

Waarom is de grond onder de poten van de griffioen niet meer groen? Eeuwenlang was die zo groen als gras, tot iemand daar een eind aan maakte. Dat was het werk geweest van oud-burgemeester G.A. Bontekoe (1900-1988), een bestuurder met grote liefde voor de heraldiek. Het lukte hem om, met medewerking van de Hoge Raad van Adel, het een en ander aan het wapen te veranderen. Hij vond dat een fabeldier niet op een grasveld hoorde te staan.

Het moet Bontekoe gespeten hebben dat Ooststellingwerf al van een wapen voorzien was. Tussen 1927 en 1938 was hij burgemeester van Sleen; daarna keerde deze Fries naar zijn geboortegrond terug waar hij tot 1965 burgemeester van Ooststellingwerf zou blijven. Vele gemeenten en waterschappen voorzag hij van wapens en vlaggen. Van de 34 (oude) Drentse gemeenten, hebben 23 een Bontekoe-wapen. In totaal zijn er meer dan tachtig gemeentewapens en ruim honderd waterschapswapens van zijn hand goedgekeurd.

Op maar liefst acht Drentse gemeentewapens beeldde hij wildemannen af. Deze schildhouders moesten, met hun knotsen en van beestenvellen vervaardigde lendendoeken, duidelijk maken dat de desbetreffende gemeenten op een boeiende prehistorie konden bogen. Meer dan eens lag de Hoge Raad van Adel, die zijn ontwerpen moest beoordelen, dwars. De kritiek kwam er vaak op neer dat de wapens te overladen waren en dat de historische elementen niet altijd recht deden aan de plaatselijke geschiedenis.

De ouderdom van wapens interesseerde hem weinig. Het liefst had hij ze allemaal door een Bontekoe-wapen vervangen. Zo stelde hij voor het wapen van Drenthe, dat teruggaat tot de dertiende eeuw, voor een totaal nieuwe versie in te ruilen.

Maar terug naar Stellingwerf. De briefschrijver ergerde zich vooral aan de geknakte voorpoot van de griffioen: ,,Voorts heeft de griffioen een gebroken voorpoot! Waarom neerwaarts geknakt, en dus invalide? Deze dient opgeheven (klimmend) te zijn!''

Ook de opgeheven staart was hem een doorn in het oog: ,,De staart van de griffioen moet neergeslagen zijn; dus niet omhoog wuivend zoals bij een leeuw!''

De aangeschrevenen lieten een en ander grondig uitzoeken. Zij bleven vierkant achter Bontekoe staan die het groene gras had afgeschaft. Over de voorpoot zeggen zij het volgende: ,,Het oorspronkelijke wapen kent geen opgeheven of klimmende voorpoot. Het afgebeelde dier is onzes inziens bepaald niet invalide, maar heft de voorpoot duidelijk tot afweer op.''

Ook aan de staart valt niet te tornen: ,,Deze zou volgens adressant moeten zijn neergeslagen (...) De fierheid van de wapenfiguur verdraagt zich niet met een staart, die afhangt als ware het een hond, die met de staart tussen de benen wegloopt.''

B en W stelden voor de brief voor kennisgeving aan te nemen.

    • Gerrit Jan Zwier