Dramatische biepjes

Nederland heeft een naam hoog te houden op het gebied van ruimte-onderzoek. Tot voor kort ging dat grotendeels voorbij aan de doorsnee burger, want de wetenschapscentra bij Noordwijk en Westerbork waren gesloten voor bezoekers. Maar daar is onlangs verandering in gekomen. Een kijkje achter de schermen.

De ruimte is vlakbij. Wie er oog voor heeft, ziet 's avonds satellieten hun banen trekken hoog boven de barbecue of Jupiter achter een rij sanseveria's ondergaan. Wie nog dichterbij wil komen en zelf geen telescoop of raket heeft, is veroordeeld tot planetaria met parkeerruimte voor tien touringcars en ruimte-exposities waar de popcorn warm is. Educatief allemaal razend verantwoord, ook heel geschikt voor kinderen – en juist daardoor mis je iets.

Een satelliet aan het plafond van een bezoekerscentrum is als een mol zonder weiland. Een satelliet hoort met een paar kilometer per seconde door de ruimte te scheren, alleen mis je dan weer de details. Ideaal zijn fabrieken en testhallen waar echte satellieten zich in al hun hevigheid laten bekijken, met de aanstaande lancering en de lange, eenzame jaren daarna dreigend op de achtergrond. Als dingen dapper kunnen zijn, zijn satellieten het wel. Met melkwegstelsels en supernova's is het niet anders: vanuit de tuin bezien vallen ze tegen, als maquettes in vitrines ook, maar het is puur drama als hun signalen na duizenden jaren reizen biepjes veroorzaken in de controlekamer van een radiotelescoop.

Op die grens van aarde en heelal heeft Nederland veel te bieden. De grootste satellieten die Europa bouwt, worden getest in de duinen tussen Noordwijk en Katwijk bij het ESTEC, de research-afdeling van de European Space Agency. De zwakste signalen uit de ruimte die op aarde worden geregistreerd, komen voor een belangrijk deel binnen bij veertien enorme paraboolantennes in de bossen bij het Drentse Westerbork. Helaas scheiden hoge hekken en schoongewassen verbodsborden ons van beide locaties.

ESTEC vangt jaarlijks honderdduizend toeristen op in het aanpalende Noordwijk Space Expo en laat slechts bij uitzondering bezoekers binnen. In Westerbork is het nog lastiger: om zonder pasje welkom te zijn op het terrein van een van de grootste radiotelescopen ter wereld, kun je maar beter een signaal zijn van een pulsar of quasar in een uithoek van het universum. In dat geval zal radioastronoom Geert Kuper of iemand anders van de staf je met open armen ontvangen, al word je daarna meedogenloos weggeschreven op een datatape.

Maar er is goed nieuws: ESTEC en de radiotelescoop gaan beide open voor toeristen. In de controlekamer van Westerbork is dat idee nog even wennen: ,,Komen ze hier ook binnen?'' vraagt Kuper aan Aline Kloeze, die bij de Stichting Astronomisch Onderzoek in Nederland (ASTRON), de beheerder van de radiotelescoop, het openen van de deuren voor het publiek voorbereidt. Ja dus. Hij kan er mee leven, maar het idee om een van de antennes nu vast even `voor de grap' heen en weer te bewegen stuit op verzet. ,,Voor de grap??!!'' roept iemand als door een adder gebeten vanachter een ver beeldscherm.

Het had best gekund, want vandaag is het onderhoudsdag. Achter de ruiten rond de bedieningspanelen is te zien dat nummer zeven helemaal horizontaal staat terwijl een monteur vanaf een hoogwerker in het brandpunt van de parabool aan de ontvanger sleutelt. Binnen sleutelt Jur Sluman aan software waarmee de status van de antennes makkelijker valt af te lezen. Ook tijdens dit onderhoud wordt een ver object in de gaten gehouden, zegt hij, maar dan om de telescoop te kalibreren. De trillingen die quasar nummer 3C38 een paar miljard jaar geleden verzond zijn daar ideaal voor, want geheel vrij van fluctuaties.

Kuper gaat voor naar het souterrain waar een briljante Nederlandse vinding, ruwweg een kubieke meter groot, op een trolley staat te zoemen: een motorisch draaibare carrousel met een reeks ontvangers. In het brandpunt van elke paraboolantenne hangt er nu één, zodat de hele radiotelescoop na een druk op de knop en drie tellen wachten gaat waarnemen op een andere frequentie. ,,Vroeger waren we dagen met hoogwerkers bezig om al die ontvangers te verwisselen'', memoreert Kuper.

Het zoemen komt van de pomp die het apparaat omwille van supergeleiding met vloeibare helium op een paar graden onder nul houdt. Een aanpalende kamer is tot het plafond volgestouwd met nietszeggende, zachtjes ruisende computers. Op één staat PuMa, voor pulsar machine, en ook die is van binnenlands fabrikaat. Toen de NASA vorig jaar geen contact kreeg met de op Mars gelande – of neergestorte – Polar Lander, kreeg Westerbork het verzoek alle veertien antennes op de landingsplaats te richten. Als de sonde nog iets had laten weten, had de PuMa het gedetecteerd, maar niks.

Een mobiele telefoon op Mars zouden wij makkelijk kunnen horen'', zegt Eugène de Geus, adjunct-directeur van Astron en groot pleitbezorger voor meer openheid naar het publiek. Hij houdt kantoor bij Dwingeloo in een groot complex van Astron en JIVE, het samenwerkingsverband van zestien Europese radiotelescopen. Door de gegevens te correleren is een telescoop met de doorsnee van Europa te simuleren. De computer die het resultaat becijfert, is de sterkste ter wereld, al kan hij alleen optellen en vermenigvuldigen. ,,Hebben we grotendeels zelf in huis ontwikkeld'', zegt De Geus met een zweem van vanzelfsprekendheid, terwijl het apparaat met de rekenkracht van 160.000 Pentiums de nauwkeurigste ruimtewaarnemingen ter wereld staat te doen.

Een bijna even groot wonder is dat ook hier, in het heiligste der heilige van de Nederlandse astronomie, binnenkort niet-quasars zullen rondstappen. Sterker nog, de eerste twee zijn al binnen geweest, als onderdeel van een arrangement van de VVV Drenthe en nadat ze daar uitdrukkelijk om hadden gevraagd: een bejaard echtpaar, drie weken geleden. De Geus herinnert het zich als de dag van gisteren. ,,Hier willen we het heel hoogdrempelig houden'', zegt hij, ,,ook in verband met verzekeringen. We hebben geen faciliteiten en geen publieksgalerijen.''

Dat laatste is nu net wat het hier zo spannend maakt: niets is voorgekauwd en je mag nergens op knopjes drukken, al zijn er daar meer van dan in enig ander bezoekerscentrum. In de hal van het controlegebouw van de radiotelescoop hangt nu een schoolbord waarop met krijt een lezing voor het personeel staat aangekondigd: Het onderdrukken van storingen zoals mobiele telefoons en knetterende brommers in waarnemingen met radiotelescopen. Je moet er niet aan denken dat daar een verantwoord vormgegeven explicatiepaneel hangt als het publiek hier straks in groepen van 25 naar binnen mag.

Ook in het ESTEC in Noordwijk zal de bezoeker geen educatieve verpakking aantreffen. Gewone mensen mogen daar voorlopig alleen in de weekeinden de poort door, maar afgezien van het ontbreken van de 1.500 personeelsleden is alles er echt. Zo echt, dat de rondleidingen zullen worden aangepast aan wat er op dat moment te zien is.

Nico de Boer, hoofd van het ESTEC stafbureau, gaat voor door gangen met glazen wanden die zicht geven op enorme hallen in de diepte. We houden stil bij een stalen ruimtesimulator ter grootte van twee à drie eengezinswoningen op elkaar. Binnenin wordt de Rosetta satelliet (die in 2011 op een komeet moet landen) enkele weken gewenteld tussen een batterij lampen zo heet als ongetemperd zonlicht en een met vloeibare stikstof gekoelde wand die zo koud is als de ruimtenacht. In een bezoekerscentrum was de capsule op schaal nagebouwd en opengewerkt, maar dit is leuker.

Dat ESTEC in een ander gebouw wel een 1:10 schaalmodel heeft hangen van het in aanbouw zijnde International Space Station (ISS), is geen concessie aan de bezoekers. De echte is 108 meter lang en zou het pand doen instorten. We zijn bij het loket waar wetenschap en bedrijfsleven straks terecht kunnen als ze – tegen veel betaling – iets willen laten doen in de ISS module van de ESA. Dus die staat op ware grootte op de vloer en zit nu al halfvol apparaten van Nederlandse bedrijven. Vanaf een kleine hoogwerker kunnen niet-professionele bezoekers naar binnen kijken.

,,Het Noordwijk Space Expo is natuurlijk veel educatiever dan deze testkamers en laboratoria'', stelt De Boer. Zelf zal hij geen toeristen rondleiden: ,,Ik doe alleen VIPs, al zitten daar ook toeristen bij.'' Niet-ingewijden zijn meestal erg onder de indruk als ze het in het echt zien.'' Misschien komt het indrukwekkende juist door het ontbreken van het educatieve, al zouden honderd uitlegpanelen nog geen afbreuk kunnen doen aan de indruk die de gigantische Environmental Satellite weet te wekken, in een hal vol hijskranen en triltafels die het geweld van lanceringen nabootsen. Nog een jaar testen en Envisat-1 mag de ruimte in.

Een van de tientallen instrumenten aan boord heet Schiamachy, kostte tweehonderdmiljoen gulden, gaat ozon en nog vijftien gassen meten en werd gebouwd door TNO Space in Delft waar Carina van Eijk-Olij de leiding had bij het kalibreren. Ze vertelt hoe Nederland in tien jaar toonaangevend werd bij ozonmeting vanuit de ruimte. Schiamachy en zijn voorloper Gome werden nog gemaakt in samenwerking met Duitsland respectievelijk Italië, maar ozonmeter OMI, in opdracht van NASA, wordt puur Nederlands. Vanachter een glazen wand kijken we naar de superschone ruimte waar OMI's carrosserie schuchter staat te blinken. Ook dit is voor gewone stervelingen te aanschouwen, al moeten ze hun best doen – om binnen te komen en om te begrijpen wat ze zien. Van Eijk: ,,Als je van tevoren geen goed verhaal vertelt, zien ze alleen maar een koffer vol elektronica.'' Maar juist die onzichtbare dimensies maken de echte ruimtevaart en de echte astronomie zo mooi.

En de ruimte blijkt nog veel dichter bij huis dan bijna iedereen vermoedt. In Dwingeloo betoogt De Geus dat alle materie, behalve waterstof, ontstond in sterren die de stof in hun nadagen, bijvoorbeeld als supernova's, allemaal uitbraakten in het grote niets, waar vervolgens nieuwe sterren en planeten ontstonden. ,,Als je een slok koffie neemt'', zegt hij, zijn kopje oppakkend, ,,neem je eigenlijk een slok van een ster.''