Lentekriebels

Natuurlijk mag ik opscheppen over het huishouden. Het is bij mij proper. Ik laat graag en aan iedereen weten hoe snel ik klaar ben. In een half uurtje is immers alles gepiept? Maar nu heb ik mijn twijfels. Ik ontdekte motten in mijn slaapkamer. Ach motten, zal men zeggen, dat kan gebeuren. Die beestjes zijn gewoon aan je aandacht ontsnapt omdat ze zo bescheiden van omvang zijn. Omdat ze zo doodstil zitten na te denken op de muur. Toch was ik er niet gelukkig mee. Insekten in je huis is geen reclame voor properheid.

Omdat ik niet helemaal onbekend ben met hun reputatie zoog ik ze op. Weg ermee! De volgende dag waren ze terug. Ik pakte opnieuw de stofzuiger, en zoog ze weg. Voor de zekerheid zoog ik ook over het plafond en over de muren. Klaar is kees! De volgende dag zag ik alweer motten. Vrouwelijke lezers hebben nu door dat ik niet erg snel van begrip ben. Want motten komen ergens vandaan. Alles heeft een oorsprong. Daar had ik niet bij stilgestaan. Mijn vriendin wees me daarop. En op haar aanraden keek ik eens wat beter in mijn klerenkast. Daar zag ik motten kruipen over een paar oude colbertjes. Weggooien was het advies. Hopla, 3 x ƒ200 in de prullenbak. Plus een duur wollen pak van ƒ1.000? Ik aarzelde. Mijn vriendin was onverbiddelijk. `Dan koop je maar een nieuw.'

Geen prijs mag te hoog zijn als het op zindelijkheid aankomt. Uit wraak zoog ik als een bezetene in die kast. Daar kon geen mot tegenop. Zo gebeurd. Fluitje van een cent. Ik herinnerde me vaag dat motten iets met wol hebben, dus gooide ik mijn wollen deken in de douche.

's Morgens vroeg zag ik alweer motten. Ze kropen over het plafond. En over de muren kropen ze, ik vond ze in de gang en in de keuken. Waren die tere schepseltjes sterker dan een grote vent met zijn krachtige stofzuiger? Werd ik zenuwachtig? Ik raadpleegde nogmaals mijn vriendin. Die meldde kort en goed: Alles moet eruit, maar dan ook alles. Daarna ga je spuiten en daarna zuigen.

Daar zag ik tegenop. Het paste niet goed in mijn filosofie van `Alles schoon in een handomdraai'. En omdat ik eigenwijs ben keerde ik alleen de matras om. Dat had ik nog nooit eerder gedaan, omdat de zin van zo'n actie me ontging. Ik schrok zo hevig bij de aanblik van die onderkant van de matras dat de kouwe rillingen over mijn rug liepen. De hele onderkant, maar dan ook de hele onderkant was weggevreten en krioelde van de motten! Ze hadden ook wegen aangelegd en tunnels gemaakt. In paniek belde ik naar mijn vriendin. Die had haar antwoord klaar: `Die matras', zei ze, `moet meteen het huis uit.'

`Meteen?'

`Meteen', zei ze.

`Maar waar moet ik heen?'

`Meteen. Nu. Direct.' Het klonk heel resoluut. `Verzin maar wat.' Dat zei ze ook nog.

Ik zag me al lopen op de openbare straat achtervolgd door wolken motten die achter hun huis aanvlogen. Motten zijn honkvast, daar was ik inmiddels wel achter. Wat zouden de buren vinden? Ik zou wachten tot het donker was. Inmiddels waren de motten zich aan het verspreiden in mijn slaapkamer. Ze krioelden over de muren en het plafond. Waar moest ik slapen vannacht?

Ik kon niet wachten tot het donker was. Het was te erg. Ze krioelden overal. Nonchalant deed ik de buitendeur open om poolshoogte te nemen. Niemand op straat. Het regende. Het liep tegen etenstijd. Goed zo. Nu de buitendeur open laten staan, naar boven rennen, matras pakken, en hopla naar buiten. Daar stond ik op straat met al die motten in mijn armen. Waar moest ik heen? Ik liep snel. Matras in een container gegooid. Eind goed al goed. Nu begon een lange eenzame strijd tegen de achterblijvers. Ze waren overal. Ik besloot het advies van mijn vriendin op te volgen: alles eruit.

Nu bleek pas wat ik in huis had gehaald. Ik kwam ze overal tegen, ik geloofde mijn ogen niet, ze zaten in mijn surfpak, dat is van neopreen, ze zaten in mijn vioolkist, in mijn surftas, in het oprolmechanisme van de luxaflex, in een zak met surfzeilen, tussen gereedschap, tussen de boeken. Ik deed nog een hele mooie vangst: in een vergeten la vond ik een stel oude wollen sokken. Vol met krioelende achterblijvers. Ik kende geen genade. Weg ermee. De overwinning was binnen handbereik.

Af en toe zag ik hier en daar nog een enkeling. Ze dwarrelden uit de lucht. Er zat geen fut meer in. Mijn spuitbus had ze de das om gedaan. De strijd was gewonnen. Maar hoorde je mij nog opscheppen over het huishouden? Welnee.

De nieuwe tegenstander in huis is anders. Miertjes in de keuken. Deze wezentjes willen geen wol maar water. Over de aanrecht komen ze aanlopen op sprietepootjes, minuscule diertjes, faraomiertjes. Ze laven zich aan druppeltjes water. Na het drinken gaan ze meteen weer op huis aan. Ik houd ze scherp in de gaten. De strijdbijl ligt klaar.