Kamer zet zichzelf buitenspel

De fractieleider van D66, Thom de Graaf, wil de opdrachtgevende rol van het staatshoofd bij kabinetsformaties beëindigen en overdragen aan de Tweede Kamer. Dat lijkt een logisch voorstel. Immers, (grond)wettelijk is eigenlijk niets geregeld over de gang van zaken bij kabinetsformaties. De Graaf spreekt dan ook terecht over een `zwart gat' in het staatsrecht.

De Graafs voorstel gaat evenwel voorbij aan de vraag hoe het komt dat kabinetsformaties in Nederland bijna altijd doorslaggevender zijn voor de vraag welk kabinet gevormd wordt, dan de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen. De oorzaak daarvan moet in eerste instantie gezocht worden bij de kiezers, die nog nooit een politieke partij aan een absolute meerderheid in de Tweede Kamer hebben geholpen. Verkiezingen leveren daarom doorgaans geen antwoord op de vraag welk kabinet gevormd móet worden, maar maken slechts duidelijk welke kabinetten gevormd kúnnen worden. Steevast maken de door de kiezers geschapen parlementaire verhoudingen meerdere partijencoalities tegelijkertijd mogelijk.

Politieke partijen hebben echter de mogelijkheid om hun van nature wat onduidelijke kiezers een handje te helpen door vóór de verkiezingen duidelijk te maken, met welke partij(en) men na de verkiezingen wil regeren. VVD en PvdA hebben in het verleden enkele malen van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door onderlinge samenwerking uit te sluiten. Eind jaren zestig koerste de PvdA op een links kabinet door coalitievorming met de KVP bij voorbaat af te wijzen. Tijdens de verkiezingscampagne van 1972 presenteerden PvdA, D'66 en PPR zelfs een potentiële regeringsploeg aan de kiezers.

Dergelijke stembusakkoorden zijn nog steeds het eenvoudigste middel om de Nederlandse kiezer rechtstreeks invloed te geven op de samenstelling van het kabinet. De door De Graaf voorgestelde oplossing om de Tweede Kamer een formateur te laten aanwijzen, blijft, hoewel een democratische verbetering vergeleken met de huidige situatie, lapwerk. Want politieke partijen die vóór de verkiezingen aan de kiezer vertellen welk kabinet er huns inziens moet komen, hebben, mits zij consequent blijven, ná verkiezingen helemaal geen door het staatshoofd benoemd of door henzelf gekozen (in)formateur nodig die via langdurige gespreksrondes moet proberen erachter te komen wie nu eigenlijk met wie wil.

Zo bezien is het niet eens zo vreemd dat er wettelijk niets is geregeld over de gang van zaken bij kabinetsformaties. Kennelijk is er men er in het verleden vanuit gegaan dat het de democratische plicht is van politici om het `zwarte gat' in ons staatsrecht te laten verlichten door de kiezers iets te kiezen te geven. Echter, zolang de politieke partijen, inclusief D66, er de voorkeur aan geven het electoraat blind te laten stemmen, kan er pas licht in de duisternis ontstaan door ná de verkiezingen noodverlichting aan te laten steken.

Roelof Bouwman is historicus.