EU moet niet talmen met uitbreiding

Met de defensieve houding die de Europese Unie nu aanneemt tegenover uitbreiding naar het Oosten, dreigt ze krachtige anti-Europese gevoelens in Midden-Europa op te roepen. De geloofwaardigheid van de EU staat op het spel, vindt Dominique Moïsi.

Over tweeënhalve maand neemt Frankrijk het voorzitterschap van de Europese Unie over. Parijs heeft al zijn twee eerste prioriteiten bekendgemaakt: institutionele hervormingen en intensivering van de samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie, beide zeer terechte en legitieme punten. Maar bezien vanuit Midden- en Oost-Europa en meer algemeen vanuit alle aspirant-lidstaten van de EU lijkt het alsof de uitbreiding opnieuw naar het tweede plan gedrongen is.

Waarom bewijzen de Fransen, overigens niet als enigen binnen de huidige EU-club, alleen maar lippendienst aan de uitbreidingsgedachte? Uit de recente, niet bepaald geestdriftige woorden die voorzitter Prodi van de Europese Commissie over deze kwestie heeft gesproken, of uit de nog sceptischer dingen die zijn voorganger Delors heeft gezegd, blijkt eens te meer het bestaan van een zich verwijdende emotionele kloof tussen de Unie en haar gefrustreerde `aspirant-leden'.

Zijn wij getuige van een betreurenswaardig, maar goeddeels onvermijdelijk en voorspelbaar proces, waarin een combinatie van egoïsme, politieke logheid en gebrek aan wil tegenover de vastberaden en goedgeorganiseerde lobby's aan weerszijden tot uiting komt? De meeste regeringen binnen de Unie hebben al getoond niet in staat te zijn hoognodige structurele hervormingen binnen hun traditionele nationale grenzen op te leggen aan organisaties en personen die hun status en privileges met hand en tand verdedigen. Hoe kunnen ze dan ooit op Europees niveau maatregelen verdedigen en uitvoeren die door hun publieke opinie thuis alleen maar gezien kunnen worden als `offers' ter wille van anderen?

De emoties waarmee de val van de Berlijnse muur in 1989 en de terugkeer van `gekidnapt Europa' in Europa gepaard gingen, waren van korte duur en zijn allang weggeëbd. Dat ging voor de meeste West-Europeanen des te vlugger sinds landen als Polen, Hongarije en de Tsjechische Republiek al weer in Europa zijn teruggekeerd, al horen ze nog niet officieel tot de Unie. Waar Europa ophoudt is onduidelijk, maar de grenzen worden bepaald door een combinatie van politieke stabiliteit, een democratisch openbaar leven en een mate van economische vooruitgang, hoe bescheiden ook. Priština en Grozny liggen beslist niet in Europa, ook al bevindt Priština zich onder NAVO-protectoraat thans dichter bij Brussel dan de meeste uitbreidingskandidaten die zich nijver door de 80.000 bladzijden `communautaire verworvenheden' heen worstelen. Maar Kiev komt al dichterbij, anders dan Minsk, ook al zal de Oekraïne voorlopig nog geen EU-lid kunnen worden.

De uitbreiding geldt niet meer als de voleinding van een nobel, ambitieus streven, maar steeds meer als een onaangenaam corvee, aan de ene kant de noodzakelijke inlossing van een te haastig gedane belofte, en aan de andere kant, bij de kandidaten, een bron van voortdurende frustratie en ergernis.

Voor Parijs vormt de afsluiting van de Intergouvernementele Conferentie (IGC) een noodzakelijke voorwaarde en inleidende stap, om te voorkomen dat uitbreiding leidt tot verwatering en algehele stagnatie binnen de Unie. Dit standpunt is plausibeler dan de ongelukkige uitspraak van Prodi als zou een ongecontroleerde uitbreiding kunnen leiden tot grote aantallen nieuwe Haiders in Europa. Men kan met evenveel recht het tegendeel beweren, namelijk dat het lidmaatschap van de Unie, een `club van democratieën', op den duur de beste bescherming biedt tegen de verleidingen van de `Haiderisering' – ondanks wat er in Oostenrijk is gebeurd, en dat moet worden gezien als een uitzondering wortelend in het verleden en niet als voorafschaduwing van de toekomst.

Naast de vrees voor verwatering werkt het uitbreidingsproces ook defensieve en protectionistische reacties in de hand. Dreigt ons bedrijfsleven, aangelokt door social dumping, naar het oosten weg te trekken, terwijl werklozen in het oosten hierheen komen? De lonen in Midden-Europa vertonen een stijgende lijn, zodat de zorg over het vrije verkeer van arbeidskrachten overtrokken lijkt. Er is geen sprake geweest van een `invasie' in het westen, en die komt er ook niet.

De toenemende normering en bewustwording op ecologisch gebied daarentegen zou wel eens een veel ernstiger obstakel kunnen blijken. Men kan niet binnen de Unie twee Europa's met twee verschillende normenstelsels hebben. Na de moeilijkheden met het Britse rundvlees kunnen we ons de problemen met `Oekraïens vlees' al voorstellen, dat in het gebied van de uitgebreide Unie wordt ingevoerd als `Pools vlees' dankzij de poreuze nieuwe buitengrenzen. Wat geldt voor voedsel, geldt ook voor de veiligheid in het vervoer, vooral die van vrachtauto's, om van de scheepvaart nog maar te zwijgen. Maar wat we eigenlijk waarnemen, afgezien van de lange lijsten problemen, de eindeloze zorgen, de steeds veelvuldiger verzoeken om garanties die scheefgroei binnen de nieuwe, vergrote Unie moeten tegengaan, is ontgoocheling om niet te zeggen argwaan.

Het belangrijkste Midden-Europese land, Polen, voelt zich in het bijzonder gedupeerd door dit proces en kan zijn frustratie over (onder meer) het feit dat het niet betrokken is bij de coördinatie van de Europese defensieinspanningen alleen uiten in het verwijt dat de Fransen Polen hebben willen straffen voor zijn `voorbarige' toetreding tot de NAVO. Volgens sommige analisten koesterden de Polen echter buitensporige verwachtingen en hebben zij de neiging zich te gedragen met traditionele arrogantie en egoïsme – iets wat men binnen de Unie van bij voorbeeld de Fransen zou verwachten. Bovendien liggen de Polen ver achter met hun voorbereidingen voor toetreding tot de Unie. De Poolse regering geeft toe aan de pressie van agrarische lobby's. Meer dan 150 wetten moeten nog aan de eisen van de Unie worden aangepast. Wel heeft Polen de afgelopen tien jaar een spectaculaire en gestage economische groei doorgemaakt. Men hoeft maar naar Polen te gaan en de lichaamstaal van de Polen te zien om te beseffen dat men zich wel degelijk in Europa bevindt.

Een Europa dat op zoek is naar nieuwe energie kan en mag zich niet uitsluitend richten op consolidering van wat er al was alvorens tot de vorming van een nieuwe `harde kern' over te gaan. Er kan voor Europa maar één nieuwe politieke en morele uitdaging zijn, en dat is uitbreiding. Hoe kan de Unie haar geloofwaardigheid op de Balkan en in voormalig Oost-Europa als geheel behouden wanneer ze het de Midden-Europeanen al zo moeilijk maakt om toe te treden? Uitstel van de uitbreiding zal van de Unie een hogere politieke tol vergen dan het weerstaan van machtige interne lobby's. Door vast te houden aan een al te traditionele, defensieve visie op de Unie dreigt men in Midden-Europa krachtige anti-Europese gevoelens op te roepen.

Dominique Moïsi is directeur van het IFRI en hoofdredacteur van Politique Etrangère.