DOELGROEP: ALLOCHTONEN

De dilemma's van orgaandonatie, de situatie van de moslims in Tsjetsjenië, opvoedingsproblemen van migranten in Nederland. De Nederlandse Moslim Omroep (NMO) snijdt bepaald geen kinderachtige onderwerpen aan. En dat terwijl de NMO zijn verhaal moet doen in een half uurtje televisie en twee uurtjes radio. ,,De ambities zijn te groot voor de weinige zendtijd die we hebben', geeft waarnemend eindredacteur Rashied Alibux (foto) toe.

De NMO valt onder de zogenoemde 39F-omroepen, een selecte groep omroepen die op basis van hun geloofsopvatting beperkte zendtijd en subsidie krijgen. De omroep valt onder de Nederlandse Moslim Raad (NMR), een organisatie die zichzelf ,,een multi-etnische afspiegeling van moslims in Nederland' noemt.

De NMO is er dan ook voor iedereen, legt Alibux uit. ,,We moeten programma's maken die moslims uit Suriname, Indonesië, Turkije en Marokko aanspreken. Tegelijkertijd wordt er van ons verwacht dat we met onze programma's begrip kweken onder Nederlanders voor het leven van moslims.'

En dat allemaal in zo weinig tijd? ,,Er blijft natuurlijk veel liggen', vindt Alibux. ,,We proberen zo min mogelijk droge informatie te geven, daar zijn andere instanties voor. Wij willen moslims in Nederland een spiegel voorhouden en ze wijzen op moeilijkheden die ze in Nederland tegenkomen.'

Onlangs probeerde de Turks Nederlandse Radio en Televisieverenging (TNRT) nog om tot het publieke bestel te worden toegelaten. Dat plan faalde jammerlijk, het bleek onmogelijk om genoeg aspirant-leden te vinden. Niet zo vreemd, vindt Alibux. ,,Het animo in de Turkse gemeenschap was niet zo groot dat er plaats was voor nóg een omroep.'

Maar ook de NMO heeft zijn problemen gehad. Vorig jaar nog werd directeur Frank William door enkele medewerkers beschuldigd van seksuele intimidatie. Bovendien zou er sprake zijn van een conflict tussen de verschillende etnische stromingen binnen de NMO. Alibux kan kort over de zaak zijn: ,,We hebben problemen gehad, maar nu is alles weer rustig. Er werken hier nu elf vaste medewerkers van Surinaamse, Turkse en Marokkaanse afkomst en van sluimerende conflicten is absoluut geen sprake.'