Boss Hog speelt lekker vuig

Christina Martinez heeft dàt lachje; hetzelfde waarmee Debbie Harry en Pixies-bassiste Kim Deal hun publiek inpalmden. Eigenlijk is het een valse lach die op haar gezicht verschijnt als ze zich naar het publiek richt, zelfs als ze net met pijn in haar stem een boze kreet als `I can't stand it' of `Nothing to lose' in de microfoon heeft gebruld. De zangeres van Boss Hog hoeft zich niet vriendelijker voor te doen dan ze is, om haar status als koningin van de New-Yorkse vuilnisbakkenrock te bestendigen. Van echtgenoot Jon Spencer leerde ze dat optreden toneelspelen is. Samen zijn ze de Ike & Tina Turner van de blanke gitaarrock, met dat verschil dat Spencer er niet aan hoeft te dènken om de bijdehante Martinez in elkaar te slaan. Niet voor niets werd Boss Hog opgericht toen Christina te bazig werd voor Pussy Galore, de hardcore-sex & drugs & rockband waarin ze samen zaten voordat manlief zijn Jon Spencer Blues Explosion begon.

Hoewel Martinez nog even sexy oogt als op de blote elpeehoezen van een paar jaar geleden, is Boss Hog in rustiger vaarwater gekomen. Met haar kirrende slotwoorden `I love boys' na een enerverende optreden in de volgestampte zijvleugel van de Amsterdamse Melkweg, doelde Martinez waarschijnlijk op het jochie van twee dat in de kleedkamer op mama wachtte. In het contract was zelfs een speciale clausule opgenomen, met de voorwaarde dat er oud houten speelgoed voor de kleine Charles aanwezig moest zijn. Het moederschap heeft Christina Martinez op het podium niet milder gemaakt. Als vanouds beantwoordde ze Spencers staccato-gitaarspel met striemende zangmelodieën en verontwaardigd geschreeuw, als een Ronny Spector die per ongeluk bij The Stooges op het podium was gestapt. Anders dan op Boss Hogs teleurstellende cd Whiteout, die door de producer van de Zweedse Cardigans werd glad geschaafd tot een compromis tussen pop en ruige rock, stond hier weer een brutale garageband die alleen in het orgelspel van Mark Boyce enige beschaving liet doorklinken.

Geheel in het wit en met de hoofdrolspelers in flodderige bontjassen, gaf Boss Hog het tegengif voor brave damesrock zoals die door Sheryl Crow of Melissa Etheridge wordt gespeeld. Lekker vuig, met overdreven poses van de oververhitte Spencer, die vlak voor het optreden nog in een dun overhemd op straat kon worden betrapt. Zijn rode hoofd en de hete bontjas hoorden bij de act, net als de schelle neuzelstem van drumster Hollis Queens die als een geheim wapen voor het Shangrilas-achtige crescendo van Whiteout werd bewaard. `Pull out the big ones baby,' schalde Martinez zonder last van de verworvenheden van dertig jaar feminisme. Hopelijk voor de kleine Charles is ze achter de schermen een zorgzame moeder, maar op het podium neemt ze de gedaante aan van een onweerstaanbare vamp met de verleidelijkste lach sinds de punkdagen van Blondie. Nu alleen nog wat meer goede liedjes.

Concert: Boss Hog. Gehoord: 18/4 Melkweg Max, Amsterdam.