Bang zijn is beter dan schrikken

De Hongaarse rivier Tisza staat hoger dan ooit in 500 jaar. In de stad Szolnok heerst echter geen spoor van paniek.

,,Vraag maar aan de man met de snor hoeveel zakken we al gevuld hebben.'' De bejaarde dame kijkt nauwelijks op. In een gestaag tempo vouwt ze grote witte plastic zakken uit elkaar. Even verderop staan een paar soldaten. Ze vullen de zakken met zand. Twee scheppen per zak. Weer verder staan een stuk of tien studenten met blote bovenlijven in de blakerende voorjaarszon. Ze leggen de zandzakken op een klein richeltje op elkaar. De zandzakken liggen in slagorde opgesteld om het wild stromende water van de Tisza buiten de stad te houden. Drie rijen dik met dwars erop een paar zijbeuken, ook van zandzakken, en tenslotte een tweede wering, weer een paar rijen dik.

Het ziet eruit als een kunstig werk, maar de man met de snor heeft geen tijd voor beschouwingen. Het zweet gutst van zijn gezicht. De Tisza stijgt tot haar hoogste punt in vijfhonderd jaar en de snor is er niet gerust op. Hij is de informele leider van het gevecht tegen het water op een smalle landtong tussen de Tisza en een zijrivier die inmiddels ook tot recordhoogte is aangezwollen. Het water torent boven de huizen uit als in een Nederlandse boezemvaart. Alleen is hier geen Nederlandse dijk en geen gemaal. De zandzakken zijn het enige wapen in de strijd.

,,Ja ik ben bang dat het mis gaat'', zegt de snor. De kelders in de flatgebouwen een paar meter verder staan al onder water. Het water sijpelt verraderlijk door de muur van zandzakken. Aan de `droge' kant van de zakken welt het grondwater op.

,,Beter bang zijn dan schrikken'', zegt een Hongaars spreekwoord. Evacuatieplannen liggen klaar. De bewoners van Szolnok luisteren naar de radio, zijn alert, maar gaan verder over tot de orde van de dag. Van paniek is geen sprake. Op de brug kijkt een handjevol mensen ijsjesetend toe hoe de rivier zijn hoogste punt bereikt.

De autoriteiten zeggen de zaak onder controle te hebben en als er geen nieuwe vloedgolf smeltwater uit de Karpaten komt afzakken, is dat ook zo. György Fódor, één van de loco-burgemeesters van Szolnok, vertelt in het crisiscentrum van de stad dat er nauwkeurig volgens plan is gewerkt. Ruim een week heeft de stad de tijd gehad om zich op het hoge water voor te bereiden. De bestuurders hebben geleerd van het hoge water van vorig jaar toen vrijwilligers alleen maar in de weg liepen. ,,We laten de vrijwilligers op bepaalde plekken zandzakken vullen. Maar ze mogen niet meer bij het water zelf komen. Daar staan alleen mensen die we in dienst hebben.''

De drie gulden die de waterbestrijders per uur verdienen zijn nauwelijks een inkomen te noemen, maar het is genoeg om een zekere hiërarchie te handhaven. Met mobiele telefoontjes krijgen ze hun bevelen op de dijken van zandzakken. Het werkt. Het water stroomt in hoog tempo aan de zandzakken voorbij. Szolnok heeft de zaak onder controle.

,,Ik begrijp uw vraag niet. Hoe zo, wat gebeurt er als er toch een dijk bezwijkt?'' Fódor, die net zijn zoveelste nacht met maar drie uur slaap achter de rug heeft, wil er niet aan denken dat het toch mis zal gaan. Maar na enig aandringen: ,,Nou, dan stroomt niet alleen de stad onder, maar ook een groot deel van het binnenland. Zeker twintig kilometer ver. Misschien nog wel verder.'' De poesta is plat, het grondwater staat er hoog en het vloedwater kan wijd uitwaaieren als het eenmaal door de dijken is.

In Boedapest heet het dat de moeilijkste dagen nog voor de boeg liggen. Terwijl de waterpiek naar het zuiden wegstroomt zullen weer duizenden mensen geëvacueerd moeten worden. Vooral vrouwen, kinderen en zieken. Ebbend water kan de verzadigde dijken wegspoelen. Het zal er nog minstens een week om spannen.

    • Renée Postma