Vredesoperaties

Door Nederlandse bewindslieden en anderen wordt al jaren beweerd, dat de relatief grote militaire bijdrage die ons land levert aan vredesoperaties onvoldoende wordt vertaald in politieke medezeggenschap. In dit verband refereert J.H. Sampiemon (`Nederland kan niet anders dan kwispelstaarten') in de krant van 14 april aan het feit dat Nederland géén deel uitmaakt(e) van de Contactgroep voor Bosnië, hoewel ons land een belangrijk aandeel had in de VN-vredesmissie in dat gebied.

Inderdaad was de Nederlandse bijdrage daar substantieel, niet alleen in relatieve maar ditmaal zelfs in absolute zin. Toch is daarbij een kanttekening op zijn plaats. Want de troepen die door Nederland aan de VN ter beschikking waren gesteld, bestonden als zo vaak weer voornamelijk uit logistieke en ondersteunende eenheden. Militair prestige en daarvan afgeleide politieke invloed verwerft men echter door gevechtskracht, niet met transporteenheden, genisten, geneeskundig personeel en verbindingsspecialisten, hoe nuttig of noodzakelijk al deze categorieën militair personeel ook mogen zijn. Bovendien dienen de politieke wil en moed aanwezig te zijn, de uitgezonden militairen ook risico's te laten lopen. Ook dat was in Bosnië duidelijk niet het geval.

Dat minister van Defensie Voorhoeve geregeld de nacht doorbracht in de `bunker' van het Defensie Crisis Beheersingscentrum was heus niet uit bezorgdheid over het lot van de moslims in Srebrenica. De inzet van de Nederlandse F16-piloten was natuurlijk prachtig, maar ook daarmee werd weer betrekkelijk weinig risico gelopen. Zolang men anderen met gevechtstroepen de militaire kastanjes uit het vuur laat halen, zijn verongelijkte Calimero-klaagzangen over te weinig politieke invloed bij de besluitvorming misplaatst!