`Vichy-regime roofde 2,8 miljard gulden van joden'

De roof van joodse bezittingen in Frankrijk onder het Vichy-regime tijdens de Tweede Wereldoorlog is ,,fel'', ,,zeer systematisch'' en ,,zeer indrukwekkend'' geweest en beliep in totaal een bedrag van ongeveer 2,8 miljard gulden. Daarvan is in de eerste periode na de oorlog 90 à 95 procent teruggegeven aan de eigenaars of hun nabestaanden.

Dit zijn de belangrijkste conclusies van het definitieve rapport van de commissie-Mattéoli, dat gisteren werd aangeboden aan premier Lionel Jospin. De commissie is vernoemd naar voorzitter Jean Mattéoli, die begin 1997 door de toenmalige premier Alain Juppé werd geïnstalleerd, met de opdracht de omvang van de roof vast te stellen en de rol van het Vichy-regime in kaart te brengen. Over de Vichy-periode is altijd gezwegen door de Franse overheid, tot president Jacques Chirac in 1995 brak met die traditie. Hij riep het land op ,,zijn verantwoordelijkheid in de deportatie'' onder ogen te zien, een oproep die door Juppé en later door Jospin nadrukkelijk werd onderschreven.

Het berekende bedrag is opgebouwd uit de roof door financiële instellingen als banken (1,2 miljard gulden), door ,,ariërisering'' van onroerend goed en bedrijven (ruim 1,5 miljard gulden) en door beroving van joden in de Franse doorvoerkampen (1,5 miljoen gulden).

Een belangrijke aanbeveling van de commissie is dat de Franse staat bijna 500 miljoen gulden in een op te richten ,,Fonds voor de Herinnering'' stort en dat de financiële instellingen (banken en verzekeringsmaatschappijen) daaraan ruim 300 miljoen bijdragen. Het Fonds zou een taak moeten gaan vervullen op het gebied van ,,geschiedenis, educatie en solidariteit'' en initiatieven moeten ontplooien betreffende ,,de antisemitische vervolgingen en de schending van de rechten van het individu tijdens de Tweede Wereldoorlog''.

De door de Duitse bezetter geroofde goederen als kunst, sieraden en baar geld zijn door de commissie buiten beschouwing gelaten. De schadeloosstelling voor het grootste gedeelte van deze diefstallen werd in 1957 al geregeld in het kader van de destijds door het Duitse parlement aangenomen wet-Brüg.

Frankrijk telde voor de oorlog ongeveer 330.000 joden, van wie 160.000 in het noordelijke, bezette gedeelte. Van hen werden 76.000 op transport gesteld en keerden er 2.500 na de bevrijding terug.

De commissie-Mattéoli bracht al eerder twee voorlopige rapporten uit, begin 1998 en begin 1999. Het gisteren uitgebrachte rapport biedt met bijna vierduizend pagina's een vrijwel compleet overzicht van de roof tijdens de Tweede Wereloorlog en de schadeloosstellingen na de bevrijding. Alleen het aandeel van de verzekeringsmaatschappijen en de vraag of zij nabestaanden naar behoren hebben behandeld verdient nog nader onderzoek.

De commissie ruimt een aparte plaats in voor de door de Duitsers geroofde kunstwerken uit joods bezit. Van de ongeveer honderdduizend gestolen objecten (voornamelijk schilderijen) kwamen er 61.233 na 1945 terug in Frankrijk, waarvan er 45.441 werden teruggegeven aan de eigenaars. Veertigduizend voorwerpen waren spoorloos en 15.500 andere werden niet opgeëist. Van de laatste werden 13.500 in 1954 verkocht door de staat.

rapport

www.ladocfrancaise.gouv.fr