De verveling slaat toe

We worden de laatste weken doodgegooid met staatsrechtelijke en politieke beschouwingen over plaats en functie van het staatshoofd in ons constitutionele bestel. Maar in al die beschouwingen heb ik niet gelezen dat sinds 1983 voor het eerst in de Grondwet de ministerraad wordt genoemd – de ministerraad, die ,,beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid'' (art. 45).

Met andere woorden het is sindsdien uitsluitend de ministerraad die besluit over het regeringsbeleid, niet de regering, die, volgens art. 42, ,,wordt gevormd door de Koning en de ministers''. Deze wijziging van de Grondwet betekent dus een verdere beperking van de macht van de Koning(in). Dit weinig of niet opgemerkte feit lijkt veel van de voorstellen van Thom de Graaf en van de daarop volgende discussie overbodig te hebben gemaakt.

Iets wat ik in die discussie ook niet behandeld heb gezien is een niet zozeer staatsrechtelijke alswel politieke vraag: hoe komt het dat voor deze kwestie plotseling zo'n enorme belangstelling is ontstaan – een belangstelling die de trekken van een hype krijgt? De zaak zelf is immers niet nieuw?

Natuurlijk, we weten het: het is allemaal ontketend door opmerkingen die de fractieleider van D66 in de Tweede Kamer, Thom de Graaf, een paar weken geleden heeft gemaakt. Maar waarom hebben juist zijn opmerkingen, op dat ogenblik, die vloed van reacties veroorzaakt? Hij had immers min of meer hetzelfde al in 1997 in deze krant betoogd, zoals Mark Kranenburg vorige week (13 april) op deze plaats ons in herinnering riep?

Alvorens een poging tot verklaring van dit verschijnsel te wagen, allereerst dit: de opwinding blijft tot een kleine kring beperkt, voornamelijk bestaande uit politici, wetenschappers en journalisten. De grote massa, die in een democratie niet helemaal onbetekenend is, blijft onberoerd. Met deze vaststelling wordt de discussie niet gebagatelliseerd, want het is altijd een spraakmakende gemeente die de zaken in gang zet.

Maar nu de verklaring: zou die niet hierin te vinden zijn dat er nog maar zo weinig problemen zijn waarover wij – dat wil zeggen: de spraakmakende gemeente – ons kunnen opwinden? De meeste grote problemen die ons, laten we zeggen: sinds de oliecrisis van 1973, hebben beziggehouden, zijn opgelost of, misschien beter gezegd, hebben zich opgelost. De grote tegenstanders van weleer, socialisten (die zich weer sociaal-democraten noemen) en liberalen, vormen sinds 1994 samen het kabinet.

Zeker, er zijn nog grote problemen, maar die zijn zo overweldigend dat we daartegenover onze eigen machteloosheid moeten erkennen. De mondialisering van de economie bijvoorbeeld, of onder welke andere naam dit verschijnsel over ons heen spoelt. We worden erdoor meegesleept en laten ons erdoor meeslepen, vooral wanneer het ons ook nog voordelen blijkt op te leveren.

Veel politieke en intellectuele discussie roept het verschijnsel in de politiek dus niet op, hoewel het de nationale en zelfs de Europese zelfbeschikking op losse schroeven zet. De hoop dat een beurskrach de oude orde zal herstellen, zoals Arie van der Zwan die vorig jaar in een boekje over Hedendaags kapitalisme scheen te koesteren, zal wel niet door iedereen worden gedeeld.

Een ander probleem dat ons in het gezicht staart, is het `multiculturele drama'. Daar is onlangs wèl een discussie over ontbrand, maar het is kenmerkend dat die niet door een politicus is ontketend, maar door de onafhankelijke schrijver Paul Scheffer (nadat, dat is waar, de politicus Bolkestein tien jaar geleden daartoe een poging had gewaagd), maar ook Scheffers poging lijkt uit te doven – niet zozeer als gevolg van de taboes die nog omtrent dit probleem bestaan, alswel doordat ook hier de politiek haar machteloosheid lijkt te erkennen.

Als alle grote problemen schijnen te zijn opgelost dan wel onoplosbaar blijken, dan slaat de verveling toe en gaat de spraakmakende gemeente op zoek naar minder urgente problemen, zoals de positie van het staatshoofd. Dat is tenminste een probleem dat we in Nederland kunnen klaren, en nog wel in volledige zelfbeschikking.

Daarmee is niet gezegd dat Thom de Graaf, toen hij zijn balletje aan het rollen bracht, dit uitsluitend deed om de aandacht op zich en zijn partij te trekkken. (En wat dan nog? Mag een politicus niet proberen zichzelf en zijn partij meer profiel te geven?) De zaak die hij aansneed – de positie van het staatshoofd – is bovendien, binnen de Nederlandse context, belangrijk.

Maar het is de vraag of zelfs deze zaak in staat zal zijn de algemene verveling langer dan tijdelijk te doorbreken. De discussie die erover is ontstaan, begint op zichzelf al vervelend te worden, en een verveling wordt niet verdreven door er een andere voor in de plaats te stellen. Daarbij komt dat de meeste mensen wel tevreden zijn met de huidige stand van zaken, ook wat het koningschap betreft.

Natuurlijk voelen linkse politici zich meer in verleiding gebracht door een discussie over het koningschap dan rechtse (hoewel geen enkel beginsel een VVD'er verbiedt republikein te zijn), maar waarom zouden zij, terwille van een theoretisch republikanisme, de tevredenheid van de meerderheid willen verstoren? Het ziet er dus naar uit dat deze discussie Reinkultur zal blijven en eveneens spoedig zal uitpieteren.