De gevangene van D66

oe hoog de zeeën over een eventueel gekortwiekt koningschap ook mogen gaan, koningin Beatrix zal er geen haar door worden gekrenkt. Een grondwetswijziging, zo die er komt, zal zoveel jaren in beslag nemen dat het haar tijd wel zal duren. Als de bevoegdheden van het koningschap worden beperkt, zal de troonopvolger de eerste zijn die er de gevolgen van ondervindt. Het gaat dus om het ambt van haar zoon dat in het geding is.

Normaal gesproken is de staatsvorm geen politiek onderwerp waar de regering wakker van hoeft te liggen. Vergeleken met internationale vraagstukken als de hongerbestrijding in de wereld of de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en de instandhouding van de gezondheidszorg in eigen land is de toekomst van de staatsvorm niet meer dan een marginaal vraagstuk. Als de regering er vaardig mee omgaat, is er geen vuiltje aan de lucht. Maar als ze het parlement, dat erover wil debatteren, niet het volle pond geeft en de vragen over de belemmeringen van de democratie, uit de weg gaat, kan het een explosieve politieke kwestie worden – of zij wil of niet.

Premier Kok is, al dan niet met frisse tegenzin, in elk geval zo verstandig geweest aan de wensen van de fractievoorzitter van D66 tegemoet te komen en een debat toe te zeggen. Op verzoek van D66-fractievoorzitter Thom de Graaf, die hem de handschoen heeft toegeworpen, schrijft hij een notitie over de rol van de koningin in de regering, waarin hij ook zijn eigen positie nader zal moeten verklaren. Met zijn vrolijkste gezicht heeft Kok er intussen al een enkel woord over gezegd (er verandert niks) en hij heeft zelfs voorzichtig laten merken dat de kwestie hem zowaar begint te interesseren.

Dat laatste is goed nieuws voor zijn eigen partij en misschien nog beter nieuws voor het land. Kok heeft nog niet de indruk gewekt dat het onderwerp hem werkelijk opmontert, maar hij heeft tenminste zijn getergde toon bedwongen. Hij praat er al lang niet meer zo krampachtig over als een paar weken geleden – al moet het ontspannen gemak nog komen.

Een zekere ontspannenheid zal hem ook te pas komen, want voorlopig is hij nog niet van het onderwerp af. Hij is namelijk de enige bewindsman die de regering zonder kleerscheuren door een Kamerdebat over zo'n breekbaar onderwerp kan loodsen en die ook met zijn eigen partij langs de wal kan zeilen.

Juist omdat niemand anders dat kan, ziet het ernaar uit dat de kwestie premier Kok langer de handen zal binden dan hem lief is. Als Kok met de gedachte mocht hebben gespeeld er binnen niet al te lange tijd mee op te houden en zich niet meer verkiesbaar te stellen, hetzij om naar een Europese sleutelpositie te dingen, hetzij om een punt achter zijn politieke loopbaan te zetten, zal hij die gedachte nu moeten laten varen. Zolang dat debat niet achter de rug is, kan hij zijn post niet verlaten en is hij de gevangene van D66 – totdat het debat is uitgewoed.

Kok verkeert in de oncomfortabele positie geen opvolger te hebben, aan wie hij met een gerust hart de Oranje-portefeuille kan overdragen en die in staat is een monarchie-debat te `managen'. Als Kok zich al uit de politiek zou terugtrekken wanneer dat debat nog aan de gang is, zou `de monarchie' het van de verenigde hervormers (D66, een deel van de PvdA en GroenLinks) zwaar te verduren kunnen krijgen. Een opvolger zou niet alleen de ervaring missen het koningschap uit de wind te houden, hij of zij zou ook aan den lijve ondervinden dat het onschendbare koningschap voor de democratie een onrustig bezit is.

Het politieke beheer van de staatsvorm – waarvan de ministeriële bescherming van de koninklijke onschendbaarheid slechts één onderdeel is – vergt een sterk en stabiel politiek bestuur. De troonswisseling in 1980 is een illustratie van de stelling dat abdicaties – die niet onder de ministeriële verantwoordelijkheid vallen en geheel bepaald worden door de koninklijke wil – in hoge mate afhankelijk zijn van het politieke klimaat.

Dat ligt ook voor de hand. Een troonswisseling is gebaat bij maatschappelijke rust en die rust is beter verzekerd naarmate de regering onder welker bescherming die zich voltrekt, een sterkere parlementaire positie heeft. Koningin Juliana wilde al in 1977 aftreden, maar stelde haar abdicatie drie jaar uit, omdat ze het onder de zwakke parlementaire basis van het kabinet-Van Agt/Wiegel niet eerder aandurfde.

Premier Kok mag zich gelukkig prijzen dat Klaas de Vries intussen minister van Binnenlandse Zaken is geworden en hiërarchisch naar het constitutionele centrum van het kabinet is opgeschoven. De Vries is thuis in het staatsrecht, heeft over alles een nuchter oordeel, is nog nooit op een onberaden uitspraak betrapt en heeft in zijn lange politieke loopbaan getoond paniekbestendig te zijn. De enige kwaliteit die hem lijkt te ontbreken is de ambitie om premier te worden, maar in termen van degelijkheid en bezonkenheid kan Kok zich geen betere adviseur wensen.

Met de vice-president van de Raad van State heeft Kok het minder gelukkig getroffen. Diens verklaring dat hij niet bedoeld heeft te pleiten voor uitbreiding van de bevoegdheden van de koningin, maar alleen vragen heeft willen opwerpen, heeft het er voor de regering niet beter op gemaakt.

Tjeenk Willink heeft mij althans er niet van kunnen overtuigen dat het NOS-journaal een verkeerde conclusie uit zijn woorden heeft getrokken.

Het is zijn eigen schuld: een Geheimrat moet zich niet met propaganda voor het koningschap in het tv-nieuws wagen om zich vervolgens weer in zijn ambtelijke paleis terug te trekken. De minister-president zal hem er niet erkentelijk voor zijn: die moet straks in de Kamer verklaren dat de vice-president voor eigen rekening sprak, maar niet in zijn hoedanigheid van constitutioneel adviseur van de regering.