Balsturig

Zij slaapt als een roos, net zo geluidloos en mooi. Maar haar derde oog staart mij nog steeds aan. Het ligt op haar nachtkastje naast de oorbellen, het designlampje en de ondoorgrondelijke wekkerradio. Uren luister ik al naar haar godlof regelmatige ademhaling, durf niet te bewegen, wacht op het geluid van de eerste tram.

Betwijfel opeens of ik de laatste regel van Coleridge's gedicht The Pains of Sleep, eerder deze nacht in haar oor gestameld, wel correct citeerde.

To be loved is all I need,

and whom I love, I love indeed.

Of is het `to be beloved'? Nakijken kan ik het hier niet. De wonderschone slaapster is weliswaar buitengewoon schrander, maar dichtbundels komen haar appartement niet in. Aan het begin van de avond, toen we tijdens het eten een viriele merel tot in China hoorden tierelieren, noemde ze alle dichters `lowlife dipshits'. Ik grijnsde en bromde: offense is the best defense. Aan haar oren mankeert niets: `Sneaky, very sneaky, Pee-aai; I just don't give a shit, it's all obnoxious crap...'

Beneden gaat een autoalarm af. Voordeuren dreunen. Cabrio's met blèrende radio's scheuren de straat uit. Disco inferno. Geratel van kettingsloten, wegstervend gefluit. Weer die rottige merel. En zij slaapt de slaap der stadsnufjes.

Eindelijk hoor ik het gerinkel van de eerste tram; het moet nu iets voor zessen zijn. Maandagochtend. Lente in Amsterdam-Zuid, hol van de leeuw. Over een zomertijduur loopt die ergerlijke wekkerradio af, preciezer: begint te spelen.

Weliswaar slapen mijn armen en benen, maar ik durf nog steeds geen vin te verroeren. Plots wentelt ze zich op haar linkerzij. Ik draai me op de mijne en omhels haar. Warme achterwangen in mijn lendenen. Slaperig mompelt ze: `Ah dear moron, I'm flattered to hell and back that you're still here'. Klaarwakker en plaatselijk uiterst alert hijg ik in haar meermalen doorboorde oor: Oft, oft me thinks, the while with thee... Waarop we zo sloom als twee amoureuze slakken versmelten.

Met knikkende knieën zet ik later twee kommen met `biorganic' muesli en melk in de magnetron, zet voor haar Lapsang souchong en koffie voor mezelf, beleg boterhammetjes voor haar lunch en lees, terwijl zij onder de douche gaat, de Britse zondagskranten. Onwillekeurig neurie ik Paul McCartneys merelliedje: Blackbird singing in the dead of night / take these broken wings and learn to fly.

`I'm ready to kick ass', roept ze opgewekt uit de badkamer, `could you rub my back please?' Did you assume the position, sweetheart? roep ik terug. Terwijl ik haar van kuit tot nekkuiltje zoen en daarna van top tot teen inwrijf met geurige olie, verhef ik me voor de zoveelste keer. Snel begraven we de strijdbijl. `You think you're hot, but I am hotter', grinnikt ze. Mij een biet wiseass, hijg ik, to be loved or be beloved, that's the question.

Naderhand trippelt ze fluitend naar haar boudoir; uitgeput ga ik onder de douche. Eindelijk rust.

Als ik me afdroog begint van alles en nog wat te jengelen. De fax in haar werkkamer braakt kleurenplaatjes en mysterieuze schema's. In de woonkamer rinkelt de telefoon. Haar gsm'etje zingt, de beeper bliept. Het sneeuwt in de Schotse hooglanden meldt de wekkerradio. Zij belt zo te horen haar secretaresse. Even later herken ik het Windows-deuntje, gevolgd door: `Holy shit, I've got twenty e-mails'. Info inferno. Uit ellende ga ik opnieuw onder de douche.

Als ik de tanden poets, staat ze opeens naast me voor de spiegel. Dressed to kill. `Move over moron, I'm late, staffmeeting at ten o'clock sharp.'

Gefascineerd zie ik hoe ze van zichzelf een kunstwerk maakt. Valse wimpers, wenkbrauwpotlood, oogschaduw, lippenstift, wangpoeder, nepnagels, oorbellen, parfum (Dior), ringen, armband. Het derde oog weet ik verankerd in haar navelpiercing. De schone slaapster is onherkenbaar, onkenbaar.

Via de spiegel kijken we elkaar aan.

`What', vraagt ze.

Ik haat je, zeg ik balsturig. Haat je van top tot teen en terug.

`That's a good phrase darling', schatert ze. `See you next Friday. Six o' clock. Don't be late, mate. Give my love to your parakeets'.

Oh wiseass, het zijn budgerigars, grasparkieten.

`Whatever, I'm off.'

Gehuld in haar badjas hang ik uit het raam. Rap fietst ze de straat uit. Vlak voor de bocht, net als ik vrees dat zij niet omkijkt, schreeuwt ze keihard: `And I hate you too!'