Mel Powell verrast op Rumori-dagen

De Rumori-dagen, in 1990 ontstaan uit onvrede over het gemis van een podium voor een ongebonden muziekpraktijk, staan vrijwel altijd garant voor verrassende vondsten. Zo ook zondag op het laatste concert in de Amsterdamse Posthoornkerk. Daar klonken pianowerken van Mel Powell en Metzer Marthilius, bescheiden componisten, geheel vrij van gigantomanie. Zij werden zowel slank en doorzichtig als speels en vindingrijk voorgedragen door Reinier van Houdt.

Bij de Amerikaanse Pulitzer Prijs-winnaar Mel Powell (1923-1998) liggen de misverstanden overigens voor het oprapen. Powell trad als tiener op in jazzbands, werkte reeds als 16-jarige zowel als arrangeur als pianist bij Benny Goodman en toen hij bij de Glenn Miller Band werd aangesteld, begon hij ook `serieuze' muziek te componeren. Wie vanwege zijn Hollywood-carrière rekende op swingende cross-over composities, kwam bedrogen uit. Webern en Boulez zijn dichterbij! Vóór zijn 25ste had Powell al kasten vol liederen gecomponeerd, meer als Schubert in zijn gehele leven, en uiteindelijk ontwikkelde hij zich als een meesterlijke miniaturist; streng en spiritueel, uiterst economisch en elegant. Het begrip `subliem' is hier op zijn plaats. Zijn vorming mocht er dan ook zijn. Powell kreeg lessen van Bernard Wagenaar, Joseph Schillinger, Ernst Toch en ten slotte Paul Hindemith, die hij in Yale als compositiedocent opvolgde.

Een vroege Etude uit 1957 mondt uit in een set variaties waarvan de derde in de stijl van Webern slechts vier maten omvat. Persoonlijker is een Prelude uit 1988 eigenlijk veel meer etude-achtig, onstuimig virtuoos alle kanten uitschietend. En zo ontpopt Powell zich als een scherzocomponist met vlinderlichte èn demonische aspecten.

Geheimzinnig is het werk en de figuur van de onbekende Litouwer Metzer Marthilius, die in 1953 op een elandenjacht schijnt te zijn omgekomen. Een suite uit 1952 voor de neo-Bechstein-vleugel blijft grillig en schetsmatig, ongrijpbaar vervluchtend, ergens te situeren tussen Satie en Messiaen.

Sympathie kon men tenslotte nog opbrengen voor ensemblewerken van de Mexicaan Ricardo Giraldo (1971) en de Israelische Rachel Yatzkan (1968). Giraldo gaat uit van ratelende typemachineritmes en Yatzkan van vrijelijk verglijdende kleurencombinaties, overigens gigantomanisch uitgewerkt. Giraldo weet beter wanneer hij moet stoppen. Aan het Maarten Altena Ensemble bleken beide aspecten, zowel het ritmische als het kleurige, uitstekend besteed.

Rumori: Maarten Altena Ensemble, Reinier van Houdt (piano). Powell, Marthilius e.a.. Gehoord 16/4 Posthoornkerk Amsterdam.