Liefde in Phnom Penh

`Liefde maakt veel goed', zegt Fatima vlak voordat ze haar stok pakt en strompelend vertrekt. We hadden uren gepraat, ik had naar vreemde verhalen zitten luisteren van een persoon die ik op de meest wonderlijke manier heb ontmoet.

Het ging als volgt: de man die bij mij thuis de serre bouwt schoot mij aan met de vraag hoe iemand in Nederland een boek kon uitgeven, een autobiografie. Van wie, vroeg ik. Van de zus van zijn ex.

Het leek mij niet bijster spannend. Toen vertelde hij dat zijn ex een Somalische was die hij in Kenya had ontmoet. Dat klonk al beter. En ze was niet eens volledig Somalisch, want haar moeder was Vietnamees en ze groeide op in Cambodja. Hij zei het met een nonchalance alsof hij het over een Groningse had die in Brabant was grootgebracht. En waar de zus van de ex die dat boek had geschreven nu woonde? In Italië, hoe kon het anders. Het boek schreef ze in het Frans, ze spreekt uitstekend Engels en ze is een paar dagen op bezoek bij haar moeder die in Leiden woont.

Voor sommige mensen is de wereld werkelijk zo klein en toch blijkt de clou van haar verhaal daar niets mee te maken te hebben.

Ik maakte een afspraak met Fatima, de schrijfster, in het restaurant van het Amsterdamse Centraal Station. Ik zat er al en probeerde me voor te stellen hoe zo'n vrouw eruit zou zien. En ik herkende haar meteen. Gitzwart sluikhaar, gouden huid, grote, Aziatische ogen, scherpe Somalische neus en jukbeenderen, volle lippen. Ik gaf haar dertig, vijfendertig, maar ze bleek al vijftig. Ze toonde mij het manuscript, het eerste hoofdstuk was al vertaald in het Engels. Waarom ze het geschreven had, vroeg ik. Omdat ze een uniek levensverhaal had, zei ze. Maar alle levensverhalen zijn uniek, zei ik, en terwijl ik begon te lezen en naar haar luisterde, begreep ik het.

Haar vader was een vrome, maar rusteloze Somaliër die als matroos de wereld verkende. In het Phnom Penh van voor de Vietnamoorlog vond hij zijn thuishaven, waar hij zich vestigde als hoedenmaker. Hij moest een verschijning zijn geweest, hij was de langste man van de stad. Op latere leeftijd trouwde hij met een jong Vietnamees meisje, omdat het tijd werd voor nakomelingen. En dat waren er veel, onder wie Fatima.

Thuis lazen ze uit de koran, ze gingen naar een katholieke school en ze werden omringd door boedhisten. Fatima werd getroffen door kinderverlamming, een paar weken nadat ze had leren lopen. Vader vertrouwde de artsen niet en moeder masseerde het kind met kruidenmengsels. Ze zou nooit meer lopen, begrepen ze, en ze bereidden het meisje voor op het leven: niemand zou van haar houden. Ze zou geen liefde kennen, geen vrienden hebben.

Fatima liet zich door haar onwillige beentjes niet ontmoedigen. Ze sleepte zich door het drukke huis en deed mee met de kindertjes. En op een dag stond ze op. De benen waren krom, ze liep als een gansje, maar ze liep. Ze rende, ze haalde kattekwaad uit en vocht met de buurmeisjes als ze weer eens voor `aukui', zwarte duivel werd uitgemaakt.

Naar de middelbare school ging ze met de fiets-riksha. Er was een riksharijder die haar en haar zus altijd ophaalde. Hij had een witte stoel voorin met een doorzichtige hoes van plastic en een donkerbruin dakje voor als het regende of de zon te fel was. Hij bracht ze en na school stond hij op ze te wachten.

Fatima herinnert zich dat ze hem soms aanspoorden om te racen tegen een andere riksharijder. Ze vuurden hem aan, harder, harder, en haar rijder was zo fanatiek dat hij ging staan op de pedalen en zulke snelheden behaalde dat ze een gevaar werden voor de stad. Dwars door de marktstraat, kippen die wegstoven, vrouwen die hun manden met vis en groenten in veiligheid brachten, over de bloemperken langs de Tonlesap-rivier, de heuvel Wat-Pnom af, de racende riksha's kwamen akelig dicht bijelkaar, de wielen schuurden en vonkten, maar haar rijder won bijna altijd.

Net toen Fatima dacht dat het leven ook voor haar zorgeloos kon zijn werd ze uitgenodigd voor een feestje. Een fuif in de openlucht, gekleurde lampjes en luide jaren-zestig popmuziek in het Frans. Ze zag er beeldig uit en genoot van de knappe jongens om haar heen. Tot een van hen, die ze niet kende, naar haar toekwam en haar ter dans vroeg.

Ze versteende, iedereen viel stil, en hij bleef aandringen, met uitgestoken hand. Het waren de langste minuten van haar leven, waar ze van werd verlost toen iemand iets in zijn oor fluisterde. Onderweg naar huis realiseerde ze zich dat haar ouders gelijk hadden: ze zou nooit liefde krijgen. Ze was vrouw, moslim, zwart en nog mank bovendien.

Maar er kon iets aan worden gedaan, hoorde ze. Een Franse dokter in Phnom Penh kon kromme benen weer recht maken en ze begon te zeuren tegen haar vader, net zo lang tot hij akkoord ging met een operatie.

De chirurg had gezegd dat het herstel na de operatie maanden kon duren, maar dat leek Fatima een klein offer. Zo lag ze op bed, Tolstoi en Flaubert te lezen, toen ze in het benedenhuis, waar vader zijn hoedenwinkel had, plotseling gestommel hoorde. Iemand rende de trap op en direkt daarna hoorde ze de zware stappen en woeste verwensingen van haar vader.

Daar stond hij. Haar riksharijder. Hijgend van het rennen en angstig om wat komen zou. Nooit eerder was een vreemde man boven gekomen en haar vader vroeg brullend wat dat betekenen moest. Hij boog het hoofd, zweette, ademde zwaar en zei toen zachtjes: `Ik wilde alleen maar weten hoe het met Fatima ging.'

Fatima was verbijsterd, haar vader keek niet begrijpend en haar moeder redde de situatie door te zeggen dat hij de vaste riksharijder was die alleen maar belangstelling toonde. De riksharijder keerde zich om en snelde weg.

Toen Fatima uiteindelijk mocht opstaan bleek de operatie niet helemaal te zijn geslaagd. Het been dat het kromste was, was nu wel recht, maar een heel stuk korter dan het andere. En de knie kon ze niet meer buigen. Ze liep moeizamer dan ooit, ze was nu echt invalide maar, zegt ze met een triomfantelijke twinkeling in de ogen: `Je kunt niet alles hebben. Dat niemand van me zou kunnen houden, dat was tenminste weerlegd.'