Letland komt niet in rustig vaarwater

Letland kampt (alweer) met een regeringscrisis: eind vorige week viel de regering van Andris Škele, premier en leider van de Volkspartij, over een ruzie over de privatisering.

Het wil niet vlotten met Letland. Waar Estland en Litouwen gestaag werken aan hun grote prioriteit – aansluiting bij de EU – kampt Letland alsmaar met tegenslagen. De afgelopen maanden schudde het land op zijn grondvesten door een pedofilie-schandaal waarbij hoge politici werden genoemd. Vervolgens kam het tot een nieuwe aanvaring met Rusland, na de jaarlijkse mars van vroegere Letse SS-ers en de veroordeling, in Riga, van een vroegere Sovjet-partizaan wegens moord op negen Letten in 1944. De Russische president Poetin deed de man prompt het Russische staatsburgerschap cadeau. De Doema stemde weliswaar tegen sancties tegen Letland, niet uit verzoeningsgezindheid maar omdat de formulering van het wetsontwerp moest worden aangepast.

En vervolgens struikelde de Letse regering en zit het land opgezadeld met alweer een crisis.

De val van het kabinet van Andris Škele, eind vorige week, werd ingeleid door een conflict tussen de minister van Economische Zaken, Vladimirs Makarovs, en de chef van het privatiseringsbureau, Janis Naglis. Anders dan Baltische buur Estland heeft Letland lang traag en terughoudend geprivatiseerd. Te traag en te terughoudend, vond Naglis. Hij wilde de privatisering versnellen en was bereid prijsconcessies te doen. Dat was niet naar de zin van Makarovs, die Naglis verweet kwaliteit te offeren terwille van snelheid en de staatsbedrijven te goedkoop in de aanbieding te doen. Makarovs stuurde Naglis uiteindelijk de laan uit.

Dat had hij volgens premier Škele niet mogen doen. De premier ontsloeg Makarovs en nam Naglis weer in dienst. Dat besluit werd hem niet in dank afgenomen door Makarovs partij, Vaderland en Vrijheid. Zij stapte kwaad uit de regering, op de voet gevolgd door Letse Weg, de tweede coalitiegenoot. Waarop Škele (leider van de Volkspartij) niets anders kon doen dan aftreden.

Op de achtergrond van de nieuwe crisis – Letland verslijt langzamerhand gemiddeld één regering per jaar – spelen politieke èn persoonlijke tegenstellingen. De politieke tegenstellingen concentreren zich rond de lobby-belangen van de diverse partijen die betrokken zijn bij de privatisering. Naglis probeert al enige tijd zonder succes twee van de grootste Letse staatsbedrijven – het energiebedrijf Latvenergo en de scheepvaartmaatschappij Latvian Shipping – te verkopen. In beide gevallen staan belangen van de machtige olie-industrie op het spel; volgens Naglis koopt zij politieke partijen om om het privatiseringsbeleid te beïnvloeden. Daarnaast vissen regio's, de Russische olie-industrie en de landbouwlobby in het troebele water van de Letse privatisering.

De persoonlijke tegenstellingen in Letland concentreren zich rond de persoon van Škele, de `Letse Berlusconi', een succesvolle zakenman, een dynamische politicus en een capabele bestuurder. Voor zijn critici is hij iets anders: autoritair, corrupt, eigengereid en verwaand, een man die niet regeert maar heerst, en een man die zijn coalitiegenoten niet serieus neemt. Bovendien verwijten de critici hem zakelijk van zijn politieke functie te profiteren. De politieke klasse kijkt hem al jaren met de nek aan, reden voor Škele om enkele jaren geleden een eigen partij op te richten, die prompt 's lands grootste werd. Hij werd in juli vorig jaar premier, maar is nooit echt door de coalitiepartners Letse Weg en Vaderland en Vrijheid geaccepteerd.

Letse Weg en Vaderland zouden graag verder willen met de Volkspartij, maar dan zonder haar leider Škele. Het is echter niet waarschijnlijk dat de Volkspartij, Škele's eigen schepping, daar iets voor voelt.