Internationaal debat nodig voor nieuw drugsbeleid

Nederland probeert zowel zijn gedoogbeleid te handhaven als internationaal een goed figuur te slaan als drugsbestrijder. Daarmee brengt het zich in een onmogelijke positie, vindt Jaap van der Stel. Beter is het ontketenen van een internationaal drugsdebat.

Het kabinet kwam onlangs met een nieuwe drugsnota waarin vooral het cannabisbeleid nader wordt aangescherpt. Daarin worden geen experimenten aangekondigd om, zoals twintig gemeenten onder aanvoering van de Tilburgse burgemeester J. Stekelenburg hadden voorgesteld, de vrije teelt van wiet toe te staan.

De stem van Justitie klinkt in de nota sterk door. Nederland is `te crimineel' volgens minister Korthals; de internationale drugshandel heeft in het Nederlandse tolerante klimaat een ideale uitvalsbasis gevonden en dat moet veranderen.

De Nederlandse regering doet er alles aan om haar huidige, door het departement van Volksgezondheid geregisseerde, gedoogbeleid overeind te houden tegenover aanvallen van buitenaf. Maar het wil tegelijkertijd met de Verenigde Staten op de voorste rij zitten wat betreft de drugsbestrijding.

In februari publiceerde het drugsbureau van de Verenigde Naties (INCB) een voor Nederland positief rapport: het doet zijn uiterste best het drugscomplex te ,,bestrijden'' en het is daarin heel succesvol. Niet zo moeilijk, zou je denken. Als op zo'n klein gebied zóveel wordt geproduceerd en verhandeld, moet je wel ziende blind zijn om niet eens wat onoorbaars tegen het lijf te lopen.

Recent publiceerde de Raad voor Volksgezondheid en Zorg samen met de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, twee adviesorganen van minister Borst, een studie over de voor- en nadelen van de legalisering van drugs. De uitkomst van dit rapport was niet dat Nederland op stel en sprong drugs moet legaliseren, maar wel werd de houdbaarheid van het huidige gedoogbeleid daarin gekritiseerd. Blijkens de studie is het uiterst zinvol het debat over legalisering aan te gaan. Vooralsnog hoopt men in Den Haag dat ook deze bui weer overwaait.

Het Nederlandse gedoogbeleid valt moeilijk uit te leggen aan de eigen burgers en zeker niet aan het buitenland. Maar belangrijker is of zulk beleid op termijn valt vol te houden en wat de resultaten daarvan zijn. Niemand kan aantonen dat dit beleid ertoe heeft geleid dat er minder drugs zijn geproduceerd en dat de handel is afgenomen. Het tegendeel is eerder waar, ofschoon het lastig is terzake oorzakelijke verbanden bloot te leggen.

De burgers en hun burgemeesters zitten met de vraag hoe het valt te rijmen dat in iets wat je mag – het kopen en gebruiken van drugs – niet mag worden voorzien. En, hoe valt te rijmen dat een economisch en voor de volksgezondheid steeds belangrijker sector als die van de productie en handel in drugs volstrekt buiten elke maatschappelijke controle blijft door deze illegaal te verklaren?

Het Nederlandse drugsbeleid is internationaal gezien een van de meest vooruitstrevende geweest. Deze voorhoedepositie heeft ruim vijfentwintig jaar bestaan en vond zijn wortels in de tolerante wijze waarop in de tweede helft van de jaren zestig door de overheid gereageerd werd op cannabisgebruik door jongeren.

In 1976 leidde het brede maatschappelijke draagvlak voor een genuanceerde benadering van cannabis tot een wijziging van de Opiumwet. Het jaren '70-optimisme dat beide rapporten uitstraalden, kwam ook tot uitdrukking in de suggestie dat op langere termijn wellicht naast cannabis ook andere drugs gelegaliseerd zouden kunnen worden. Later bleek dat daarvoor veel minder steun te vinden was.

Thans is de Nederlandse regering als de dood voor zelfs maar een debat over legalisering, laat staan dat ze het initiatief daartoe neemt. Zoiets valt niet uit te leggen aan het buitenland dat toch al zo kritisch is over het Nederlandse drugsbeleid.

Voor de ambtenaren die in internationale fora het Nederlandse beleid moeten zien te verdedigen wordt zoiets als een `dolkstoot' in de rug ervaren. Maar daarmee sluit de overheid wel de ogen voor de realiteit: met het ontbreken van een reële publieke greep op productie, distributie, consumptie van drugs is de drugsmarkt ongewild de `meest geprivatiseerde sector' van Nederland geworden. Een sector die zich aan elke maatschappelijke interventie en controle onttrekt.

Het Nederlandse beleid is in zoverre `pragmatisch' dat het bij voortduring de praktijk weet te volgen. Het zet echter nooit de toon.

Het heeft niet of nauwelijks invloed op het gebruik, de aard en de kwaliteit van de gebruikte drugs, de voorkeuren, de risico's en al helemaal niet op de opvattingen van de gebruikers zelf. Het positieve is veelal een onbedoeld effect dat te gemakkelijk aan `het beleid' wordt toegeschreven.

De overheid heeft slechts invloed waar het om ingrepen in zichtbare en tastbare verschijnselen gaat, zoals coffeeshops (die kunnen gesloten worden, of juist opgericht). Het verschijnsel zelf is een particulier initiatief.

Opmerkelijk is ook dat Nederland weinig moeite heeft gedaan de internationale verdragen naar zijn hand te zetten en in overeenstemming te brengen met de bestaande praktijk. De creativiteit zit in het soepel interpreteren van de eigen wetgeving. Het opportuniteitsbeginsel (op grond waarvan het OM afziet van vervolging) en het gedogen zijn vooral vluchtroutes om het beleid aan de praktijk aan te passen en te legitimeren.

De verregaande commercialisering van de cannabismarkt is een voldongen feit – bij de georganiseerde internationale handel zijn ook opvallend veel Nederlanders betrokken. Zij treden hiermee in de voetsporen van de koopvaarders van voorafgaande eeuwen, die koffie, tabak, opium, cocabladeren en brandewijn onbekommerd van het ene naar het andere werelddeel transporteerden.

Het is zonneklaar dat de discussie over het drugsbeleid moet beginnen met de fundamentele vraag: waarom bepaalde drugs illegaal zijn. De veronderstelling dat dat zo is omdat ze gevaarlijk zijn, is lang niet altijd houdbaar. Gebruikers weten ook uit eigen ervaring wanneer het gevaarscriterium opgeld doet – ze wantrouwen de officiële informatie.

Tegen het argument dat de illegale middelen `verslavend' zijn, valt in te brengen dat dit nu juist geldt voor de legale alcohol en tabak en veel minder voor cannabis, ecstasy en zelfs cocaïne. Dat illegale middelen negatieve sociale gevolgen hebben is zeker waar, maar geldt dat niet voor zoveel andere onverstandige menselijke gedragingen?

Gezien de enorme variëteit aan psychoactieve drugs die vandaag en in de toekomst beschikbaar zijn, is de overheid verplicht te zoeken naar de beste manieren om de productie, distributie en consumptie te reguleren. Onder het koepelbegrip `legalisering' moet voor dit zeer complexe vraagstuk een antwoord worden gevonden. Uiteraard is de definitie die aan legalisering wordt gegeven van groot belang.

Onder legalisering versta ik niet het zonder meer `vrijgeven' van het produceren, distribueren en bezitten van drugs. Wel versta ik onder legalisering het uit de strafwet halen van deze activiteiten en aansluitend reguleren daarvan binnen het kader van bestaande of nieuw voor te bereiden wetgeving.

De inhoud van de internationale verdragen is glashelder en Nederland heeft zich daaraan gecommitteerd. Eenzijdige, vergaande stappen in de richting van een de jure legalisering houdt onherroepelijk in dat Nederland voorwerp wordt van internationale debatten en conflicten. Noodzakelijk geachte en gewenste stappen dienen daarom in nauw overleg met internationale instanties te gebeuren.

Nederland kan niet eenzijdig overgaan tot legalisering van cannabis en de overige drugs tenzij het zich – met alle consequenties voor zijn internationale positie op de koop toe – aan zijn verdragsverplichtingen onttrekt. Dit kan politiek volstrekt ongewenst zijn. Ook een drastische uitbreiding van het gedoogbeleid draagt het risico in zich dat Nederland tot `drugsland' wordt uitgeroepen.

Thans is slechts het ontketenen van een internationaal debat de meest realistische optie om ruimte te scheppen voor nieuw drugsbeleid. Nederland heeft zeker het recht hiertoe het initiatief te nemen.

De noodzaak voor een debat over legalisering is heel goed uit te leggen aan `het buitenland'. Het is bovendien zaak zo'n debat te voeren binnen EU- en VN-verbanden. Elders worstelt men met dezelfde problemen en ook daar is behoefte aan debat en aan rationeel drugsbeleid dat niet gestoeld is op angst en onwetendheid.

Dr. Jaap van der Stel is werkzaam bij De Geestgronden, instelling voor geestelijke gezondheidszorg te Bennebroek en auteur van het rapport `Een nieuw drugsbeleid? Voor- en nadelen van de legalisering van drugs'. (Raad voor de Volksgezondheid en Zorg/Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling).