Een ruïne in aanbouw

We dalen. Ik kijk door het vliegtuigraampje naar beneden. Ooit lag in deze vallei – op 2300 meter hoogte – een meer. De reiziger die toen over de bergen kwam, werd verrast door de schoonheid ervan. Nu ligt hier de hel: Mexicostad. Voor insiders Makesick-o-city. Een miljoenenstad. Begin twaalfde eeuw drong een handjevol nomaden de vallei van Mexico binnen. De oorspronkelijke bewoners langs de oever van het meer stuurden hen het water op om opgevreten te worden door giftige slangen. Maar ze hielden zich met de slangen in leven, vlochten vlotten en strooiden daar aarde op. Deze drijvende moestuinen werden de basis voor het machtige rijk der Azteken en voor de stad die ooit de grootste ter wereld zou zijn.

Toen de soldaten van de Spaanse veroveraar Hernán Cortés dit `middelpunt van het universum' (zoals de Azteken het noemden) naderden, viel hun mond open van verbazing bij het zien van de schitterende, witte stad in het blauwe meer. `Het beloofde land..!' werd er gemompeld. Maar voordat ze zich daarvan konden meester maken, werd er een grimmige oorlog gevoerd. Als verstoorde wespen zwermden de Azteken in razendsnelle kano's uit over het meer. Met speren, knuppels, pijlen, keien, modder namen ze het op tegen kanonnen. Na drie maanden was de stad een ruïne en de verdediging gebroken. Op de smeulende resten begonnen de Spanjaarden de bouw van de koloniale stad. Als Alexander von Humboldt aan het einde van de achttiende eeuw door het uitzicht op de stad wordt verrast, concludeert hij: `Dit is de mooiste, door Europeanen gebouwde stad ter wereld!'

Nog steeds is het een sensatie naar de hoofdstad af te dalen. Onder mij zie ik de ijzingwekkende kraters van beide vulkanen aan de rand van de vallei, voordat de hellingen verglijden naar de buitenwijken van de onafzienbare en door een grauwgele smoglaag bedekte metropool. Van het door de eeuwen heen bezongen meer is nauwelijks iets terug te vinden. We dalen over Chapultepéc, het buiten van Azteekse keizers, nu een park met stervende bomen. Met mijn ogen volg ik de Paseo de la Reforma naar het hart van de stad, eens de Mexicaanse Champs Elysées waar de beau monde flaneerde. Want in de jaren dertig had Mexico – met een miljoen inwoners – nog de charme van een postkoloniale residentie. Pleinen, barokke kerken, parken en brede allees ademden een rust en distantie alsof het altijd zondag was. De Pan American Highway bracht toeristen binnen en daarmee de American way of life met neonlicht, cocktailbars, hotcakes, soft drinks en Virginia cigarettes.

In de jaren vijftig was de stad met een paar miljoen inwoners nog beheersbaar. Maar daarna was de groei niet meer te stuiten. Degenen die op het platteland geen bestaan vonden, trokken naar de hoofdstad. In de marge groeiden de bidonvilles. Luís Buñuel veroorzaakte opschudding met zijn film Los Olvidados (De Vergetenen, 1950) over de wanhoop in deze krottenwijken.

Met meer dan twintig miljoen inwoners en vier miljoen auto's houdt de stad ons een karikatuur van het moderne leven voor. Iedere dag barst de megalopolis verder uit haar voegen. Verkeerschaos, misdaad, smeergeld, incompetente politie, geweldpleging, gijzelingsacties, overvallen, geven voedsel aan apocalyptische prognoses: `een ruïne in aanbouw!', `een ecologisch Hiroshima!' Straatkinderen leven onder putdeksels. Het centrum verzakt op de ingeklonken bodem van het meer. Het vuil is niet meer te verstouwen. `Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt', zou ik – evenals Dante die de hel bezoekt – als vermaning bij aankomst op de luchthaven verwachten.

Maar de stad omhelst me met haar gruwelijke schoonheid, haar levenslust, het gefilterde zonlicht, de prikkelende atmosfeer en de specifieke geur die ik, waar ter wereld ook, zou herkennen als die van Mexico. Onwennig kijk ik naar zangers, acrobaten, vuurspuwers, bedelaars, invaliden, muzikanten die bij ieder stoplicht hun razendsnelle act doen om vervolgens wat geld op te halen langs de rijen aanschuivende auto's en de weg – als het licht op groen springt – op het allerlaatste moment vrij te maken voor het in zes banen aanstormende verkeer. Stedelingen laten hun schoenen poetsen, zitten op bankjes te dutten, te vrijen, de krant te lezen, te dromen. Voor café's wedijveren muzikanten in hitsig lawaai. Markten pronken met een overdaad aan kleur. Clowns vertonen hun grappen. Verkopers leuren met bossen witte lelies, uit blik geknipte vlinders, trossen ballonnen die schitteren in het zonlicht. Even raak ik in de ban van een kwakzalver die met een mes haarscherp de rug van een slang kerft en de huid splijt om die er vervolgens af te stropen. ,,Voor uw geliefde'', zegt een invalide vrouw met een diepe, sensuele stem, terwijl ze me een roos toesteekt.

Muziek, kreten, straatrumoer wisselen elkaar in volstrekte willekeur af. Op het trottoir bieden indiaanse vrouwen hun waar aan, anderen zijn ingedut, soms met een baby aan de borst. De lucht van uitlaatgassen wordt geparfumeerd door de geur van geroosterde maïs, zeep, tortillas, koreander, kopal.

De entree van het hotel slokt me op. Mijn geïrriteerde ogen tranen. Met een zakdoek probeer ik het bloed dat uit mijn neus loopt, te stelpen. ,,Welkom'', zegt de man achter de balie onbewogen.

,,Ik moet nog wennen'', verontschuldig ik me. ,,De hoogte, het klimaat!''