Schrijvers over voetbal

Zelfs Piet Keizer is bijgedraaid. In 1973 keerde de legendarische linksbuiten van Ajax zich nog tegen de toenadering die de literatuur tot de voetbalsport zocht; bij de verschijning van de door Theun de Winter samengestelde bundel Elf gedichten voor Piet Keizer verklaarde hij toen. ,,Er wordt door anderen een stukje van mij gepikt, zonder dat ik er iets aan kan doen. Ik ben er misschien wel tegen, maar dat heeft geen zin. Als dit een wedstrijd is, heb ik nu duidelijk verloren.'' Gisteren was dezelfde Piet Keizer eregast bij de opening van de tentoonstelling Literatuur met een doel in het Letterkundig Museum in Den Haag. ,,Het staat iedereen vrij te doen wat hij wil'', zei hij nu. ,,Mij raakt het niet.''

Het eerste exemplaar van het bij de expositie verschenen `schrijversprentenboek' kreeg Keizer uitgereikt door A. Korteweg, de directeur van het museum die zich voor de gelegenheid had gehuld in een oranje voetbalshirt, compleet met naam op de rug en het rugnummer 10. Het museum wil met de tentoonstelling, die doorloopt tot ruim na het aanstaande Europees Kampioenschap voetbal, proberen eens een ruimer publiek binnen de eigen muren te krijgen, ongeveer zoals voetbaltijdschrift Hard Gras erin slaagt voor en literair tijdschrift enorme oplagen te halen.

Een tentoonstelling die literatuur en voetbal combineert is een voor de hand liggende keuze. Omdat de liefde voor voetbal de laatste jaren vooral een nostalgische liefde is geworden, een verlangen naar de eigen jongensjaren en naar de jeugd van een sport die inmiddels wordt gedomineerd door volwassen geldzaken. Maar ook omdat exposities over zowel sport als literatuur zich richten op vergelijkbare parafernalia: de kicksen van Piet Keizer, de Feyenoord-seizoenskaart van Ronald Giphart en de supportersshawl van Bart Chabot. Een deel van de expositie bestaat uit aardig, maar niet echt verrassend materiaal. Met mooie grote actiefoto's geïllustreerde gedichten over Piet Keizer, Johan Cruijff, Marco van Basten en Abe Lenstra, de plakboeken die Jan Mulder over zijn eigen loopbaan bijhield en alle nummers van Hard Gras.

De grote bloeiperioden van het Nederlandse voetbal (de jaren zeventig en de periode na 1988) blijken ook de perioden waarin de literatuur de grootste honger naar de bal aan de dag legde, waarmee de schrijvers zich laat kennen als mooiweersupporters: fans die vooral komen als er iets te juichen valt en niets van zich laten horen als er wordt verloren.

Die overblijfselen uit de laatste decennia zijn echter niet de voornaamste reden om naar het Letterkundig Museum te gaan. De schatten uit een verder verleden zijn dat wel: elftalfoto's met Godfried Bomans, Jacques Presser of J.J. Slauerhoff; een manuscript van Bomans over een fictieve wedstrijd Nederland-België en het typoscript van Simon Vestdijks De koperen tuin, waarin op het `Zaailand' wordt gevoetbald.

De fraaiste vondst bestaat echter uit twee piepkleine `padvindersjaarboekjes' van Arthur Lehning (1899-2000) waarin hij in de jaren 1914 en 1915 zijn dagboek bijhield. Het geeft een prachtig beeld van de liefde voor (toen nog) football van de jongeling. Zo lezen we dat hij op 20 april 1915 nieuwe voetbalschoenen koopt en daar een dag later de hele dag op oefent. De eigenlijke reden voor de aanschaf volgt drie dagen later; het schoolvoetbalwedstrijd die Lehnings HBS een 1-0 zege oplevert. De jonge speler en aanstaande schrijver maakt een minutieus wedstrijdverslag. Zoals hij dat ook bij een andere wedstrijd doet: ,,'t 2e elftal met 2-0 verloren van de Hamburger. Marsman allebij moeten houden (Zenuwachtig!!!) Henny had z'n vorm in zijn grijze trui gelaten.'' Van die onzekere keeper zouden we nog veel horen: als de dichter Hendrik Marsman.

Tentoonstelling: Literatuur met een doel. Letterkundig Museum in Den Haag. T/m 10 september.