Politiek en aaibaarheid

Op de conferentie over bedreigde plant- en diersoorten in Nairobi lijken de natuurbeschermers soms paradoxaal te handelen. Soms is het beter een bedreigde diersoort niet volledig te beschermen.

Evolutionaire aanpassing werkt te langzaam om de menselijke natuurconsumptie bij te houden. Anders waren er misschien al neushoorns zonder hoorn, beren zonder galblaas en Saiga-antilopen zonder geneeskrachtig geweitje. Alleen Aziatische olifanten krijgen sinds kort al aanmerkelijk kleinere slagtanden dan vroeger. De mens moet zijn uitputtende vraag naar natuurproducten dus bijstellen. Dat is wat de zich op dit moment afspeelt op de tweejaarlijkse CITES-conferentie (Convention on International Trade in Endangered Species of wild flora and fauna), die nu in Nairobi (Kenia) wordt gehouden. Op de bijeenkomst zijn zo'n honderdvijftig aangesloten landen vertegenwoordigd en talloze lobbyisten behartigen er de belangen van commerciële natuurgebruikers èn natuurbeschermers.

Een nobel maar onrealistisch voorstel van dierenbeschermingsorganisaties is al afgevoerd: een volledig verbod op exploitatie van wilde dieren. Ook natuurbeschermingsorganisaties zijn daar niet voor. Handel, zo is het idee, betekent immers geld en motivatie, ook voor soortbescherming.

De Conventie werkt met twee belangrijke beschermingslijsten of Appendices: Lijst I en II. Wie op Lijst I staat of komt te staan is er als soort slecht aan toe. Hier hebben toppers als de tijgers en neushoorns een notering. Handel in deze dieren – of hun onderdelen – is volledig verboden. Lijst II biedt geen volledige bescherming, maar slechts handelsrestricties en -limieten. Die geldt voor soorten die onder druk staan, maar beperkte afroming kunnen verdragen.

Op de lijsten zelfs zijn geen rangnotities. Maar tussen de lijsten, drie in totaal, kunnen soorten wel van status veranderen. Hetzelfde geldt voor bepaalde deelpopulaties die er verschillend aan toe zijn. Die kunnen apart stijgen of zakken, maar de politiek spreekt een woordje mee. Daarvan levert Cuba met zijn karetschildpad een goed voorbeeld. Zijn de `Cubaanse' zeeschildpadden wel van Cuba? Of zijn het kosmopolieten die de territoriale wateren van dat land af en toe aandoen? Al sinds 1975 staat de echte karetschildpad (Eretmochelys imbricata) op lijst I van CITES. Deze zeeschildpad is een sterk migrerende soort. Als kwallen- en sponzeneter doet hij de territoriale wateren van menig land aan. In bijvoorbeeld Cuba en Indonesië wordt hij voor plaatselijke handel gevangen, maar de internationale handel in deze soort is verboden. Hij wordt ook op tal van andere manieren bedreigd, onder meer door rondzwevende plastic zakjes die hij voor kwallen aanziet. En door de visserij, die hem vaak als bijvangst ophaalt.

Cuba is voor `downlisting' van de populatie in het eigen kustwater. Jaarlijkse export naar Japan van nieuw verkregen schilden en van vele duizenden kilo's karet uit liggende voorraden zou dan weer toegestaan zijn. Dat kan het arme Cuba veel opleveren, want in Japan heten van karet vervaardigde, hoornen kammen een huwelijk gelukkig te maken - en hetzelfde geldt voor complete schilden, hangend aan de kamermuur. Cuba heeft aan eigen kant toezicht en controle keurig op orde gebracht, CITES-missies kwamen inmiddels vol lof terug. Maar de suggestie dat Cuba een eigen, zelfstandig te beheren zeeschildpadpopulatie heeft, blijft dubieus. Het WFF, het Worldwide Fund for Nature, dat zich bij de CITES-conferenties nadrukkelijk en gezaghebbend laat horen, is tegen het voorstel. Jikkie Jonkman, Manager Soorten van het Nederlandse Wereldnatuurfonds (WNF): ``De zogenoemde Cubaanse populatie is veel breder dan alleen die van Cuba. Dat land zou overleg met naburige landen moeten plegen voor gezamenlijk populatiebeheer. De tweede reden voor afwijzing ligt voor ons bij afnemer Japan. Dat heeft de controle van aanvoer niet op orde en dat geeft alle mogelijkheden om schilden van andere herkomst wit te wassen.''

Opvallend is dat in Nairobi nu juist natuurbeschermingsorganisaties de kwaaie pier lijken voor het grote, dierminnende publiek. `Zet de muskusherten – zwaar bejaagd als producent voor de parfumhandel – op Lijst I', zeggen bijvoorbeeld India, Nepal en de Verenigde Staten. Het WWF verwerpt dat voorstel en geeft een negatief stemadvies. En zo zijn er meer gevallen waarin natuurbeschermers ingaan tegen de oproep tot volledige bescherming. Jonkman licht toe: ``Plaatsing van een bedreigde soort op Lijst I van de Conventie slaat de natuurbescherming het wapen uit handen – daarmee neem je de economische waarde van dieren weg. Met plaatsing van een bedreigde soort op Lijst I ben je klaar, en eigenlijk te laat. Dan zeg je dat die soort al verloren is. Regulering van handel in bedreigde soorten via Lijst II is belangrijker. Die geeft je de mogelijkheid maatregelen voor beheer af te spreken waarmee je de betrokken landen achter de broek kunt zitten.'' Bovendien, zegt ze, als je te makkelijk soorten op de hoogste lijst plaatst, ondergraaft dat de geloofwaardigheid van de Conventie.

niet verstandig

Strenge bescherming biedt niet altijd de beste bescherming. Mogelijk geldt dat ook voor de Afrikaanse olifant, traditiegetrouw een gewichtige hoofdrolspeler op de CITESbijeenkomsten. Het ontbreekt Afrikaanse olifanten door expansieve landbouw in toenemende mate aan grond, wat ze voor de boeren tot `lastposten' maakt. Kenia maakt zich nu op de conferentie sterk voor een vernieuwd, volledig handelsverbod op ivoor, dat eerder gedeeltelijk werd versoepeld. Er zouden nu meer olifanten illegaal gedood worden.

Kenia's voorstel de Afrikaanse olifant weer volledig op Lijst I te plaatsen wordt door Nederland gevolgd. Niet verstandig, vindt Jonkman. ``Voordat je zo'n verbod bepleit, moet je precies weten wat de achtergronden zijn. Slechts twintig procent van de resterende Afrikaanse olifanten heeft onderdak in beschermd natuurgebied. Misschien kan gecontroleerde ivoorhandel tegenwicht bieden voor afschot wegens overlast.''

Het WWF pleit voor – het publiek aansprekende – acties zoals die tegen stroperij. Maar Jonkman staart zich liever niet blind op de ernstig bedreigde diersoorten als tijgers en neushoorns. Met een relativerende ondertoon spreekt zij over de nijvere handelsrestricties op de Conventie. ``Je kun afschot en handel reguleren wat je wilt, als er intussen door toenemend menselijk ruimtebeslag geen leefruimte voor dieren overblijft, houdt het snel op. Handel draait dan ook niet om die paar bekende soorten. Het gaat om hout. En het gaat om vis. De commerciële belangen zijn daarbij echter zo groot, dat CITES op dat vlak nauwelijks een rol speelt. Daarom vinden we dat wij ons juist op boomsoorten en vissen moeten richten. Misschien niet de meest sexy onderwerpen, maar wel de belangrijkste.''

Eerdere pogingen van natuurbeschermers om enige soorten tropische hardhout-bomen op de lijsten te krijgen zijn omvergeblazen. Maar misschien dat vissen nu toch een plaats krijgen binnen CITES, tegen alle visserijbelangen in. De steur is het de vorige keer gelukt tegen die stroom op te zwemmen, en nu volgt misschien de witte haai. Diens machtige kaken zijn een populair curiosum geworden. Ook de onder druk staande walvishaai en reuzenhaai worden in Nairobi besproken. Jonkman: ``Ik zou ik al heel blij zijn als we één haaiensoort op de lijst kunnen zetten.''

    • Frans van der Helm