Oranje, regenten en het volk

D66-leider Thom de Graaf is een verlichte regent die het Oranjehuis wil moderniseren via een discussie met het volk. Hier dreigt een historische vergissing. Voor het beteugelen van de Oranjes geldt: `Maak het kort, maak het kort.'

Welkom bij de brede maatschappelijke discussie over de toekomst van de monarchie. We zijn nu een week bezig en er is al ongelofelijk veel beweerd. De stortvloed van meningen en meninkjes laat zich eenvoudig indelen. Dit is simpelweg de botsing tussen patriotten en prinsgezinden. Of, breder bezien, tussen regenten, Oranje en het volk.

Versleten woorden kunnen plotseling weer betekenis krijgen. Na twee decennia van sudderende consensus komen de oude tijden weerom: van partijschap, van polarisatie.

Bent u vóór of tégen Oranje? Dat is ruwweg de vraag. Moet Oranje het veld ruimen, weg uit het centrum van de macht? Of hoort Oranje daar juist thuis, als symbool van nationale eenheid en trots?

Natuurlijk, D66-leider Thom de Graaf zei het dezer dagen veel besmuikter. Hij is heus voorstander van de monarchie als staatsvorm. Maar de monarchie moet wel met haar tijd meegaan. DNA mag niet langer rechtsgrond verschaffen voor een plek in de regering. Tweede-Kamerleden kunnen hun eigen kabinet wel formeren; daar hoeft het Hof niet aan te pas te komen. De adviseurs van de regering, hooggezeten in de Raad van State, moeten worden verlost van de Koning als hun would be president.

Dit alles zou beter zijn voor de democratie, want doorzichtiger voor de parlementaire controle. De Koning zelve kan er ook op vooruitgaan, want die hoeft zich niet langer te compromitteren met het politieke volk à la De Graaf c.s.

Dit is de zaak van De Graaf tegen De Koning. Het is eerder vertoond. Graven hebben zich altijd verzet tegen vorsten: in de Slag bij Vlaardingen (1018), de Slag in het Brouwershavense Gat (1490), de Slag bij Heiligerlee (1568). Toen een van oorsprong Duits gravengeslacht, later: Huis van Oranje-Nassau, in de noordelijke Nederlanden eenmaal de vorst had verslagen, gingen hun eigen zonen zich al spoedig als koningen gedragen. Zij waren de machtige plaatsvervangers (= stadhouders) van de afgezworen Koning van Hispanje. Waarna de geschiedenis zich herhaalde, want de monarchale Oranje-stadhouders kweekten vanzelf weer nieuwe vijanden: de regenten in de vroedschappen en Staten van de steden en gewesten.

Al eeuwenlang golft de strijd tussen regenten en Oranje heen en weer. Het is een ingewikkelde haat-liefdeverhouding die dezer dagen op de kop af vierhonderd jaar bestaat. Het begon in de zomer van het jaar 1600, inderdaad: met de Slag bij Nieuwpoort. Die slag op West-Vlaamse bodem doet er inmiddels niet meer toe. Maar bij Nieuwpoort is de kiem gelegd voor diep ingesleten wantrouwen tussen Oranje en regenten. Deze eeuwenoude spanningshaard beheerst de Nederlandse geschiedenis tot en met het RTL-nieuws van vorige week vrijdag, half acht 's avonds – en wat daarna over de natie is gespoeld.

Koningin Beatrix is van Oranje en Thom de Graaf is een regent. Als je van Oranje bent, dan zoek je je natuurlijke biotoop in het centrale machtscentrum. Stadhouder Maurits deed dat tijdens de Bestandstwisten (1609-1621), toen hij pal stond voor een krachtige Unie. Zijn rivaal, landsadvocaat Oldenbarnevelt, beijverde zich voor het zelfbestuur van regenten die in de steden en gewesten hun eigen zaakjes wilden regelen. De kop van Oldenbarnevelt rolde letterlijk op 13 mei 1619, op een schavot voor de Ridderzaal. Het is een Hollands lieu de mémoire bij uitstek, waarop de werkkamer van Thom de Graaf aan het Binnenhof uitziet. Soms kan de geschiedenis morbide schaduwen vooruitwerpen. Want hier ligt les 1 voor Thom de Graaf. Een nachtelijk duel met de conservatieve regent Hans Wiegel valt uiteindelijk wel te winnen. Maar Oranje uitdagen – dat vergt hogere krijgskunde.

Thom de Graaf is een verlichte regent. Verlichte regenten denken altijd dat zij het land ook wel zonder Oranje kunnen regeren. Na de dood van stadhouder Willem II, in november 1650, kwamen de regenten te 's-Gravenhage in Grote Vergadering bijeen om een kloek besluit te nemen: weg met het Oranje-machtsbolwerk in de Republiek!

Aldus geschiedde. Maar de Oranjes zijn come back kids.

Twee decennia na Willem II, in het Rampjaar 1672 toen de Republiek uit vrijwel alle windstreken werd aangevallen, mocht de 21-jarige Willem III het radeloze land komen redden. Een beetje regent kan zich als de dag van gisteren herinneren hoe dat is afgelopen. Het redeloze volk lynchte de gebroeders Johan en Cornelis de Witt op de stoep van de Gevangenpoort, gelegen naast het Binnenhof. Het karwei werd afgemaakt met het opensnijden van de buikwand der omgebrachte regenten, waarna hun verwijderde organen van hand tot hand gingen onder het Oranje-gezinde gepeupel.

Dat is les 2 voor Thom de Graaf: pas op voor het volk als je Oranje meent te kunnen tarten. Vorige week zaterdag heeft de `krant van wakker Nederland' direct de mobilisatie afgekondigd, met de strijdkreet `D66 opent aanval op koningin' over de volle breedte van de voorpagina. `De windmolenvechter De Graaf heeft jammerlijk gefaald', sneerde de politiek commentator drie dagen later.

Terug in de geschiedenis vergeten we een eeuw. We treffen onze helden in de jaren omstreeks 1748. Opnieuw lijkt het voortbestaan van de Republiek op het spel te staan. Uit Leeuwarden wordt een verre Oranje-achterneef van stal gehaald, als zogenaamd sterke man tegen vreemde Franse legers. Conservatieve regenten (zeg maar: VVD'ers) krijgen de schuld van alle ellende. Progressieve D66-regenten ontketenen hun hervormingsgezinde `Doelistenoproer' in Amsterdam. Ze denken dat ze het met stadhouder Willem IV op een akkoordje kunnen gooien over `staatkundige vernieuwing'. Friese Willem praat hun naar de mond, hij belooft van alles, maar hij doet uiteindelijk weinig anders dan de stadhouderlijke Oranje-macht restaureren ten koste van de positie van àlle regenten.

Zie hier les 3 voor Thom de Graaf: Oranjes weten hun vrienden en vijanden steeds met zorg te kiezen. Hun takken lijken alle kanten op te waaien, maar hun stamboom blijft intussen fier overeind staan. Premier Kok sprak afgelopen maandag, na zijn wekelijkse kopje thee op Huis ten Bosch, over een nationaal monarchiedebat dat heus mocht worden gevoerd. Natuurlijk meende hij dat oprecht. Maar was de premier niet ook een beetje de buikspreekpop van de koningin geweest? Had Majesteit het afgelopen weekeinde soms even moeten terugdenken aan de manier waarop oom Willem IV in de 18-de eeuw was omgesprongen met verlichte regenten? Honi soit qui mal y pense.

Nee, koningin Beatrix kent haar klassieken. Zij zou nooit strijdlustig in een koets springen om verlichte regenten mores te leren, zoals de aangetrouwde prinses Wilhelmina van Pruisen in 1787 heeft gedaan. Het waren de jaren waarin patriotten en prinsgezinden als kemphanen tegenover elkaar stonden. De bangelijke stadhouder Willem V had Den Haag verlaten om zich te verschansen in het Oranjegezinde Nijmegen (waar later nog eens ene burgemeester De Graaf – vader van – de Kroon zou dienen). Willems gemalin, pronte Wilhelmina, liet op zekere dag vijftien paarden inspannen, want zij zou de patriotten wel eens even van het Binnenhof verjagen ten gunste van de prinsgezinde regenten. Dat liep slecht af. In de buurt van Gouda, bij Goejanverwellesluis, werd Wilhelmina teruggestuurd door een vrijkorps van patriotten. Vervolgens moest er een Pruisisch leger aan te pas komen om de Oranje-heerschappij te herstellen. Het succes was van korte duur. Acht jaar later werden de Oranjes alsnog het land uitgejaagd.

`Denk aan Goejanverwellesluis!', zo heeft het in de familie nog regelmatig geklonken als de bourgeoisie zich weer begon te roeren. Oranjes weten precies wanneer ze de rechtstreekse confrontatie met lastige regenten moeten vermijden. Thom de Graaf mag onthouden, les 4, dat hij steeds beducht moet zijn voor omtrekkende bewegingen van de Oranje-partij. Na de eerste provocatie is het zaak de wapens met uiterste zorg te kiezen. Wat kiest De Graaf? Hij speelt de bal meteen terug naar de regering en vraagt om een beleidsnotitie. Be-leids-no-ti-tie.

Thom de Graaf moet kiezen wie hij is en wat hij wil. Wil hij zijn als Thorbecke (1848) of als Troelstra (1918)? Zowel in 1848 als in 1918 gistte de revolutie in Europa. De liberale Leidse professor Johan Rudolf Thorbecke keek in 1848 koelbloedig toe hoe het volk zich roerde. Hij wachtte geduldig af totdat een nerveuze koning Willem II vanzelf `in één nacht van conservatief tot liberaal werd', waarna zijn grondwettelijke gijzeling binnen de kortste keren was geregeld.

De socialist Pieter Jelles Troelstra richtte zich in 1918 wel rechtstreeks tot het volk. Hij ging naar Rotterdam om een revolutionaire menigte op te zwepen. Hij hield in de Tweede Kamer een urenlange toespraak, waarin hij zinspeelde op een greep naar de macht. Dat had hij niet moeten doen. Het Haagse Malieveld stroomde onmiddellijk vol met duizenden en duizenden Oranjeklanten die koningin Wilhelmina en prinses Juliana hartstochtelijk toejuichten.

Dit is de belangrijkste les die Thom de Graaf te leren heeft: niet van de Oranjes, maar van Thorbecke en Troelstra. Wie de teugels van de Oranjes wil aantrekken, spreekt daarover bij voorkeur niet als Troelstra tot het volk. Zeker, het publicitaire effect is maximaal. Maar hoe ligt het land erbij als het stof is neergedaald?

Wie de Oranjes hun plek wil wijzen, beraamt deze staatsgreep als Thorbecke, thuis in zijn studeerkamer, omringd door handboeken staatsrecht, om de Koning-van-dienst vervolgens op het juiste moment te besluipen met fijnzinnige nieuwe teksten over een `wijze constitutie'. Zoals Oldenbarnevelt tot zijn beul sprak: `Maak het kort, maak het kort.'

Wie met het volk over de monarchie in debat gaat, loopt het gevaar de Oranje-koorts alleen maar op te jagen. Zeker, op typisch libertijnse, rationele gronden moet zo'n gesprek mogelijk zijn. Maar zie hoe de calvinistische dominees hun kansels bestormen, zoals (de overigens katholieke) J. de Hoop Scheffer vorige week vrijdagavond deed bij vier Hilversumse omroepen. En zie hoe vandaag over twee weken Koninginnedag wordt gevierd in Katwijk aan Zee.

Regenten komen en gaan. Oranje zwaait, naar het volk én naar de regenten.

EPILOOG

(Paleis Huis ten Bosch, maandagmiddag 10 april 2000)

Zij: ,,Maar wat wil die De Graaf nu precies?''

Hij: ,,Tja, ik weet het ook niet zo goed, hij wil een maatschappelijk debat of zoiets.''

Zij: ,,Mm...'' (stilte)

Hij: ,,Ik zie u dromerig uit het raam kijken, majesteit.''

Zij: (peinzend) ,,Maatschappelijk debat, maatschappelijk debat. (glimlach) Weet u wat: zegt u straks buiten maar dat de regering dat goed vindt...''

Was de premier niet ook een beetje de buikspreekpop van de koningin geweest?

    • Gijsbert van Es