Nog duizend jaar koning

Speurneuzerij is verboden in de krochten van de Kroon. Het Geheim van Noordeinde is heilig. Niet erg, als de koning wordt geweerd uit de wetgeving. Dan hoeft hij niet onthoofd te worden.

Eind 1996 werd de fractievoorzitter van de Socialistische Partij Jan Marijnissen in de Tweede Kamer als een kwajongen door premier Kok in de hoek gezet. Marijnissen had de minister-president gevraagd of de koningin de hand had gehad in de overplaatsing van de Nederlandse ambassadeur in Zuid-Afrika, jhr. Röell, zoals de berichten in de pers suggereerden. De SP'er kreeg geen antwoord, maar werd in plaats daarvan op zijn constitutionele plicht gewezen. De plicht om zijn mond te houden. Speurneuzerij, gaf Kok te verstaan, werd niet op prijs gesteld, maar ook niet getolereerd. Een Kamerlid moest weten dat de regering geen mededelingen kon doen over de interne besluitvorming, dus ook niet over het aandeel van de koningin in het beleid.

Marijnissen was nog niet helemaal door de parlementaire wol geverfd en incasseerde de vermaning dat hij niets had te zoeken achter het Geheim van de Kroon. De rol van speurneus, voegde Kok er ten overvloede aan toe, ,,is voor de Kamer niet weggelegd, nu niet en ook later niet''.

Zodra de interne verhouding tussen de koningin en de ministers ter sprake komt, wat af en toe natuurlijk toch gebeurt, raken Kamerleden en ministers samen in een traditionele staat van spraakverlamming. Op grond van de doctrine van het Geheim van het Noordeinde zijn ze verplicht er het zwijgen toe te doen. Voor ministers levert dat geen moeilijkheid op, maar voor parlementariërs, die gekozen zijn om te spreken, niet om te zwijgen, is dat een tegennatuurlijke opdracht. Maar zo is de regel van het spel.

De koning is onschendbaar (in de tijd van Thorbecke werd ook wel gezegd: onverantwoordelijk) en alles wat hij doet, lost zich op in de ministeriële verantwoordelijkheid. Gesteld dat minister Van Mierlo in de kwestie-Röell door de koningin zou zijn overruled (het geval heeft zich in werkelijkheid niet voorgedaan), dan zou hij de beslissing in de Kamer voor zijn verantwoordelijkheid hebben genomen en als zijn eigen beslissing hebben verdedigd. Alleen de minister is immers verantwoordelijk.

De lofzang die Jaap de Hoop Scheffer, de fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer, vorige week op de verdiensten van koningin Beatrix afstak, zou strikt genomen ook onder dat zwijggebod moeten vallen. Een Kamerlid dat niet naar het Geheim mag vragen, mag ook niet over het Geheim fantaseren. En De Hoop Scheffer fantaseerde erover. Volgens de fractievoorzitter van het CDA was er geen reden een debat over de rol van het koningschap te voeren, omdat zij haar werk `voortreffelijk' doet. Tegen een algemene loftuiting dat Beatrix voortreffelijk werk doet, heb ik geen bezwaar. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat niemand weet welke invloed de koningin uitoefent op het regeringsbeleid, in het bijzonder op het proces van wetgeving. Dat is het onduidelijke element in het democratische regeringssysteem, waarvoor D66-fractievoorzitter De Graaf een voorziening vraagt. De Hoop Scheffer vindt de koningin voortreffelijk, maar hij weet niet wat er achter het geheim van het paleis allemaal schuilgaat.

Hij neemt aan dat het woord `voortreffelijk' op z'n plaats is, maar dat is niet meer dan een beleefdheidsfrase. Hij kan er niet voor instaan. Dat is de paradox van het systeem.

Het politieke bestel kan met die paradox leven, zolang het constitutionele systeem zich naar de regels gedraagt. Voorzover de ministers in staat zijn hun meningsverschillen met de koningin binnenskamers te houden, loopt de eenheid van de Kroon geen gevaar. Als de doctrine van het Kroongeheim door alle partijen in stand wordt gehouden, bestaat er geen `democratisch gat', waarover de buitenwereld zich zorgen zou kunnen maken.

Maar dan moeten alle luiken gesloten blijven en alle kieren dicht blijven. Dat blijkt steeds minder mogelijk te zijn. Conflicten of schermutselingen tussen koningin en premiers lekken met de regelmaat van de klok uit en veroorzaken toenemende druk op het systeem, dat eerst met sussende woorden, maar ten slotte alleen nog met een versterking van zandzakken en spreekverboden kan worden verdedigd.

Bij elke volgende keer dat er weer een kleiner of groter conflict tussen de koningin en de ministers door de mazen van het net naar buiten komt, wordt het voor de minister-president steeds moeilijker om de parlementaire oppositie Marijnissengewijs af te schepen. Als de premier de enige tegenspeler van de koningin was, zou hij het lek nog wel boven water kunnen houden, maar elke premier moet maar afwachten of zijn ministers tegenover hun partijgenoten in de Kamer hun kiezen op elkaar houden en zo nee, of die partijgenoten dan niet uit de school klappen. Op de keper beschouwd is het geheim van de Kroon in de praktijk aan tamelijk veel politieke insiders bekend en het is een wonder dat er maar zo weinig geheimen op straat liggen.

De belangstelling die de politieke partijen voor de machtsrelaties tussen de koningin en de ministers beginnen te krijgen, kan de hervormingsvoorstellen van De Graaf een dynamiek geven die een onbuigzame regering een hoop problemen kan bezorgen. De Graaf heeft zijn voorstellen nog niet uitgewerkt. Hij moet zijn positie nog verduidelijken op het punt van de rol van de koningin. Moet zij uit de regering of mag ze blijven? Mag ze, eventueel zonder politieke bevoegdheid, politiek adviseur en klankbord van de regering blijven of wordt haar ambt tot ceremoniële franje teruggesnoeid?

Als De Graaf het eerste wil, moet hij voorstellen de republiek in te voeren. Maar over de guillotine heb ik hem niet gehoord. De Graaf is ook geen republikein, zelfs geen constitutionele radicaal, zoals Thorbecke, die de koning langs grondwettelijke weg van zijn laatste beetje alleenheerschappij beroofde.

Als De Graaf de koning wil behouden als staatshoofd en eerste vertegenwoordiger van Nederland in het buitenland, moet hij het er niet op aanleggen hem uit de regering te verwijderen (artikel 42 van de Grondwet), maar uit de sfeer van de wetgeving. `Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend' (artikel 47). Beperking van de wetgevende bevoegdheid betekent niet dat de koning wordt onthoofd, het is zelfs geen aanslag op het koningschap, het verkleint slechts de politieke armslag van het ambt.

Het is een ingreep die uit democratisch gezichtspunt logisch en zuiver is. Ze laat de wetgeving volledig aan de ministers en ze verwijdert het `onverantwoordelijke' element in de regering uit de politieke sfeer.

De koning heeft dan geen formele politieke bevoegdheden meer, maar dat heeft voordelen zowel voor hem als voor de politiek. Het politieke systeem is democratisch gezuiverd en de speculaties over de onzichtbare macht van de koning zullen verstommen. Mits de koning voor voldoende nakomelingen zorgt, verzekert hij zich aldus van zijn eigen duizendjarige dynastieke rijk. Zijn onschendbaarheid is voor eeuwig veiliggesteld.

De bijzondere kwaliteiten die koningin Beatrix op diverse podia buiten Nederland heeft tentoongespreid vormen de ironische illustratie van de stelling dat het koningschap zich ook zonder nationale wetgevende bevoegdheid internationaal aardig weet te redden. Beatrix is omgeven door een wereldomspannend netwerk van buitenlandse betrekkingen, waarvan het zwaartepunt niet ligt op het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, maar op supranationaal niveau.

Vooral in het Bilderberg-gezelschap heeft zij regelmatig contact met alle vooraanstaande staatslieden en kopstukken uit het internationale bedrijfsleven. Zij heeft daar een politiek en economisch insiderschap ontwikkeld, waarvan al menige Nederlandse minister-president voordeel heeft getrokken. Tijdens haar regering hebben ook tal van andere ministers meer dan eens tot hun verbazing ontdekt dat Beatrix over meer internationale dossierkennis beschikte dan zijzelf. Opgestoken op Bilderbergconferenties of vergaard in telefoongesprekken met buitenlandse deskundigen, met wie zij gemakkelijker contact had dan de ministers.

Ook Willem-Alexander zal zich als koning weten te redden als men hem de wetgevende bevoegdheid zou afnemen. Het zou hem geen kwaad doen als de regering en de Kamers zijn loopbaan in internationale banen zouden leiden. Dat past bij zijn talenten, het past bij zijn internationaal georiënteerde vriendin en het past bij hun beider ambities. Hoe minder aanraking ze hebben met de politiek, des te langer zullen ze leven.

Zie ook www.nrc.nl/DenHaag