Meer vermogen, meer belasting

`Geen gezeik, iedereen rijk!' Inmiddels hebben Jacobse en Van Es, de door Van Kooten en De Bie gecreëerde `volkskapitalisten', gelijk gekregen. Rentedaling, economische bloei, en ook belastingverlaging hebben de waarde van huizen en aandelen omhoog gejaagd, en zo is nu ook `rijkdom' in Nederland gedemocratiseerd. En daarvan vraagt de fiscus zijn deel.

In een democratisch land met een egalitaire traditie van eeuwen is het onvermijdelijk dat rijkdom belast wordt. Twee jaar geleden waren er 608.000 mensen rijk genoeg (een saldo van bezittingen en schulden dat hoger is dan twee ton) om in aanmerking te komen voor vermogensbelasting (VB). Als we aannemen dat er per huishouden meestal maar één rijkaard is, betekent dit dat al een op de tien gezinnen `vermogend' is want Nederland telt circa zesenhalf miljoen huishoudens. Vorig jaar droegen vermogenden op die manier met elkaar ongeveer 1,7 miljard gulden af aan 's Rijks schatkist. Dit betekent dat er over 242 miljard gulden vermogensbelasting is betaald. En als je dat bedrag weer door die 608.000 personen deelt, dan is er per rijkaard gemiddeld over ruim vier ton (boven die vrijstelling dus) belasting geheven.

Maar met de invoering vanaf 1 januari aanstaande van het nieuwe belastingstelsel gaat het begrip `rijk' nog verder gedemocratiseerd worden. Veel meer mensen dat tot nu toe zullen volgend jaar te maken krijgen met een heffing over hun netto vermogen.

Weliswaar verdwijnt de aloude vermogensbelasting, maar we krijgen er een vermogensrendementsheffing (VRH) voor terug. Strikt genomen is dit een vorm van inkomstenbelasting – in plaats van inkomsten uit vermogen (dividend, rente) bij het inkomen uit arbeid op te tellen en dus progressief te belasten, wordt nu gewoon aangenomen dat een belegging 4 procent oplevert, en die wordt belast met een vast tarief van 30 procent – maar de belastingbetaler zal het toch ervaren als een vermogensbelasting.

In ruil voor 0,7 procent over je vermogen, plus (meestal) 50 of 60 procent over dividend- en rente-inkomsten ga je nu 1,2 (30 procent van 4 procent) procent betalen over je belastbare vermogen. Afhankelijk van iemands omstandigheden pakt dat gunstig of ongunstig uit. Maar velen zullen voor het eerst in hun leven belasting gaan betalen over hun kapitaal, want de basis voor die nieuwe heffing is niet iemands netto vermogen boven de twee ton, maar boven de 37 duizend gulden; en voor samenwonenden het dubbele, zeg maar 75 duizend gulden. Dat zijn namelijk de belastingvrije voeten voor de VRH.

Het ministerie van Financiën schat voorzichtig dat de nieuwe heffing 6,2 miljard gaat opleveren; net iets meer dan de 1,7 miljard die de VB opleverde plus de 4 miljard die er aan inkomstenbelasting binnenkwam over rentes en dividenden. Maar 6,2 miljard is 1,2 procent van 516 miljard. Het totale vermogen waarover het ministerie denkt VRH te kunnen heffen is dus ruim twee keer zo groot als dat waarover vermogensbelasting kon worden geheven. Financiën zegt geen schatting te kunnen geven van het aantal mensen dat met de heffing op vermogen te maken krijgt (de waarde van het eerste eigen huis die in de VB tot nog toe voor 60 procent van de WOZ-taxatie meetelde, telt niet meer mee), maar gegevens van het CBS laten zien dat in 1997 al 1,7 miljoen huishoudens een netto vermogen van meer dan 75 duizend gulden – exclusief het eigen huis – had. Teruggerekend naar huishouden kom je dan op één op de vier. Als het vermogen (boven de belastingvrije voet) van een gezin dat nu met de vorm van belasting te maken krijgt honderdduizend gulden zou zijn, dan betekent dat toch een afdracht van twaalfhonderd gulden per jaar.

Horen wij daar ook bij, zal menigeen zich met schrik afvragen. Want zelfs al blijft de waarde van het eigen huis buiten beschouwing, je zit toch al gauw aan die 37- dan wel 75.000 gulden per gezin. Volgens de statistieken van het CBS bezaten huishoudens in 1997 alleen al aan spaargeld gemiddeld 37.000 gulden.

Ter geruststelling: behalve het eigen huis telt ook bezit dat tot de inventaris hoort, zoals kostbare antieke stukken, of kunst niet mee. En hetzelfde geldt voor waardevolle sierraden of postzegel- en muntenverzamelingen zolang ze niet hoofdzakelijk als belegging dienen. Plezierjacht en auto tellen ook niet mee, maar antieke auto's, als ze tevens een belegging zijn, weer wel.

Wat ook niet meetelt is vermogen dat vastligt in pensioenverzekeringen. Voor de meeste Nederlanders zit daarin, naast het eigen huis, namelijk het grootste kapitaal: de 1.300 miljard gulden die in totaal in pensioenvoorzieningen is belegd, betekent in feite dat er gemiddeld een kapitaal van tweehonderdduizend gulden per huishouden is gereserveerd. Maar dat valt er dus buiten. Financiën redeneert: op het moment dat dat kapitaal als pensioen wordt uitbetaald, ga je er inkomstenbelasting over betalen.

Wat wél meetelt, is bezit dat vastligt in de vorm van effecten (over aandelen, obligaties, opties en dergelijke wordt de gemiddelde waarde genomen van de twee peildata, 1 januari en 31 december, in tweede huizen of ander (verhuurd) onroerend goed.

Vraag is natuurlijk hoe mensen op de nieuwe fiscale regels zullen reageren. John van Es, fiscalist bij het Wetenschappelijk Bureau van Deloitte & Touche in Rotterdam verwacht niet dat mensen hun portefeuilles nu helemaal op de kop gaan gooien. ,,Zeker, iemand die zijn vermogen nu vooral in laagrenderende spaarrekeningen heeft vastgezet, zou die 1,2 procent kunnen ontwijken door antiek of schilderijen te kopen. Maar het directe jaarlijks rendement daarop is nul, en of je er uiteindelijk vermogenswinst mee boekt is de vraag. Voor kunstliefhebbers kan het leuk zijn, maar ik denk niet dat dit bij uitstek de vluchtweg wordt. Dan geloof ik eerder dat men het nog meer zal gaan zoeken in beleggingen waarop een hoger rendement te verwachten is. Dan voel je die 1,2 procent in elk geval minder.''

    • Bert Bakker