Mediafusies zijn gevaarlijk

De overheid moet een veel krachtiger beleid voeren om machtsconcentratie in de media tegen te gaan. De burger dreigt de dupe te worden van de recente overnamegolf, vindt J.M. Smits.

Technieken die vroeger apart werden ingezet voor omroep, telecommunicatie en informatica worden tegenwoordig gecombineerd gebruikt. Als gevolg daarvan ontwikkelen zich eindeloze mogelijkheden voor mensen om zich te informeren. Een gigantische stroom elektronische informatie komt op talloze manieren op ons af: via telefoon, via televisiebeeldschermen en via computers. Niet alleen de technieken convergeren, ook de vroeger gescheiden bedrijfstakken vloeien ineen.

In toenemende mate streven bedrijven ernaar de verschillende onderdelen van dit proces – van `inhoud' tot en met infrastructuur – in handen te krijgen. Zo heeft UPC, inmiddels een van de grootste Europese kabelbedrijven, sinds kort haar zinnen gezet op het leveren van inhoud, door de moedermaatschappij van SBS6 en Net 5 over te willen nemen. Daarmee bezitten zij dan niet alleen de `weg' naar de abonnee maar ook zeggenschap over de inhoud die aan de abonnee geleverd kan worden. Een enigszins vergelijkbare positie heeft het Spaanse Telefonica (zeg maar de Spaanse KPN) kennelijk op het oog nu het bedrijf heeft aankondigd het Nederlandse bedrijf Endemol over te willen nemen.

Het behoeft geen betoog dat er door de activiteiten van deze bedrijven – overigens conform een mondiale trend – een sterke machtspositie kan ontstaan. Zoals altijd hebben machtsposities hun schaduwzijde: er kan misbruik gemaakt worden van die positie, waardoor er beperking van concurrentie optreedt en een vermindering van keuzemogelijkheden voor de consument, of liever gezegd: de burger.

De EU heeft recent nog aangegeven dat `ketenmacht' in de media door de lidstaten zelf opgelost moet worden. Het ontbreekt echter aan een eigen Nederlandse visie op dit probleem. Louter roepen dat de prijzen naar beneden moeten of dat we in de volgende kabinetsperiode een ICT- minister dienen te hebben, is volstrekt onvoldoende. Van een benadering die toegang voor een ieder tot media-markt garandeert en excessen voorkomt, is geen sprake.

De overheid moet zorgdragen voor een optimale beschikbaarheid van transportcapaciteit, waartoe zowel gebruiker als aanbieder optimaal toegang hebben. Daarnaast is een optimale beschikbaarheid van een ruim toegankelijk, breed geschakeerd informatie-aanbod van het grootste belang. Verder is werkzame mededinging noodzakelijk, waarbij de marktstructuur open is en er sprake is van voortdurende concurrentie.

Indien niet op korte termijn door de overheid wordt ingegrepen zal het fenomeen van de `verticale integratie', en dus de vorming van ketenmacht, verder gestimuleerd worden. Dat speelt de grote spelers op de markt in de kaart en remt nieuwkomers en kleinere marktpartijen af.

Ook kunnen in een dergelijke markt prijsopdrijving en oneerlijke concurrentie optreden en kan er sprake zijn van marktsluiting. In dat geval kan de pluriformiteit van de informatievoorziening in gevaar komen.

De Mediaraad, een inmiddels opgeheven adviescollege, voorzag een kleine vijf jaar geleden deze problematiek al en deed een aantal concrete aanbevelingen. De raad stelde dat de verschillende – ook technische – onderdelen van het communicatieproces functioneel en juridisch `ontbundeld' dienen te worden.

Vervolgens moet de toegang worden verzekerd voor (andere) marktpartijen onder redelijke en billijke voorwaarden. Dat zou bijvoorbeeld in het geval van de kabeltelevisie-netten betekenen dat een exploitant zijn infrastructuur open moet stellen voor andere aanbieders die vergelijkbare dienstverlening willen bieden. Concreet zou dat betekenen dat bijvoorbeeld Canal+ als concurrende aanbieder kan optreden door programmapakketten aan te bieden, waarin zowel programma's van de publieke als commerciële omroepen zijn opgenomen.

Specifieke regels voor de oude telecom-monopolisten zijn er al wel gekomen voor de telefooninfrastructuur, maar ontbreken echter nog voor de kabeltelevisie-infrastructuur. Op termijn zullen deze voorschriften door Brussel worden gemaakt en ingevuld. Het zou er echter niet toe moeten doen over welke infrastructuur we praten. De toegang tot een bepaalde infrastructuur zou altijd en voor elke partij dienen plaats te vinden onder voorspelbare, transparante en redelijke financiële voorwaarden.

Het valt aan te nemen dat we nog niet aan het eind van de hierboven geschetste ontwikkelingen zijn. Wanneer dit concentratieproces is afgerond, eten de paar groten elkaar op, zodat er één of wellicht twee bedrijven overblijven.

Het is de verantwoordelijkheid van de politiek rekening te houden met het belang van burgers die in een democratische samenleving gediend zijn met een pluriforme informatievoorziening.

J.M. Smits is hoogleraar Recht en Techniek aan de Technische Universiteit Eindhoven.