HET DOTTEREN VAN DE NIERSLAGADER IS NIET BETER DAN MEDICIJNEN

Het dotteren van de nierslagader heeft nauwelijks voordelen bij de behandeling van hoge bloeddruk die het gevolg is van nierproblemen. Geneesmiddelen die de bloeddruk verlagen werken net zo goed: ofwel net zo matig. Dat is de uitkomst van een onderzoek in 26 Nederlandse ziekenhuizen verenigd in de Dutch Renal Artery Stenosis Intervention Cooperative (DRASTIC). De onderzoekers vinden dotteren alleen nog zinvol als geneesmiddelen niets meer uithalen of de doorbloeding van de nier ernstig in gevaar komt.

Bij mensen met atherosclerose (dichtslibbende bloedvaten) kunnen ook de nierslagaders vernauwd zijn. De nieren, of soms één nier, krijgen dan te weinig bloed. Dit heeft tot gevolg dat de nieren niet voldoende water aan het bloed kunnen onttrekken. Een te hoog vochtgehalte van het lichaam heeft hoge bloeddruk tot gevolg. De hoge bloeddruk laat de nieren vervolgens ook weer slechter functioneren. Bij vijftien procent van de ouderen met ernstige nierproblemen zijn vernauwde slagaders de oorzaak van de klachten. Om die reden kwam het dotteren van de nierslagader in zwang. De gedachte was dat het opendrukken van de nierslagader met een in de algader opgeblazen ballonnetje (dotteren) de oorzaak van alle ellende zou wegnemen. Begin jaren negentig bleek echter dat de resultaten daarvan tegenvielen. De tijd was rijp voor een goed opgezette evaluatie, en zo ontstond het DRASTIC-onderzoek.

Deelgenomen werd door 106 hypertensiepatiënten die al meerdere bloeddrukverlagende middelen slikten en bij wie de diameter van minstens één nierslagader door artherosclerose minstens was gehalveerd. Deze patiënten werden in twee groepen verdeeld. Ongeveer de helft onderging een dotterbehandeling en kreeg vervolgens twee dagdoses bloeddrukverlagende middelen. De andere patiënten kregen alleen drie dagdoses medicijnen. Bij controles na drie en twaalf maanden bleek dat in beide groepen de bloeddruk gemiddeld was afgenomen, maar dat de verschillen tussen de groepen niet significant waren. Bovendien was bij maar vier (gedotterde) patiënten de bloeddruk weer normaal geworden (New England Journal of Medicine, 6 april).

Redactionele commentatoren wijzen er op dat het voor het uiteindelijke resultaat niet uitmaakte of een gedotterd vat geleidelijk weer dichtslibde of open bleef. Blijkbaar zijn de nieren door het ziekteproces al zodanig beschadigd dat het openen van de nierslagader daar niets meer aan verandert. Wat deze commentatoren betreft heeft het dotteren van de nierslagader, ooit gezien als het ei van Columbus voor deze categorie patiënten, vrijwel afgedaan. De behandeling kan nog zin hebben bij patiënten met nieren die zeer slecht werken, door oedeem zijn opgezwollen of als beide nierslagaders vernauwd zijn of één bijna afgesloten. Dat leidt wel tot zeer moeilijke afwegingen, waarschuwen ze. Het gaat dan meestal om zeer zieke mensen met een sterk verminderde levensverwachting en het is nog maar de vraag of deze veel profijt van de behandeling kunnen hebben.